Mededinging: Rechtbank Rotterdam bevestigt boete Samsung wegens verboden prijsafstemming

Nadat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een boete van bijna EUR 40.000.000 had opgelegd aan Samsung wegens overtreding van het kartelverbod, neergelegd in artikel 6 van de Mededingingswet, heeft Samsung bezwaar ingediend tegen dat besluit bij de ACM. Op 26 november 2021 wijdden wij een artikel aan het besluit van de ACM. Daarna ben ik in dit artikel ingegaan op de beslissing van de ACM van 21 november 2022, waarbij het bezwaar van Samsung werd verworpen.

Vervolgens heeft Samsung beroep aangetekend tegen het laatste besluit van de ACM bij de rechtbank Rotterdam. Die achtte de boete van de ACM terecht.  

Inleiding

Op 14 september 2021 heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) Samsung beboet voor € 40 miljoen, voor overtreding van het kartelverbod in de periode van 2013-2018. De ACM legt daaraan ten grondslag dat Samsung in die periode:

  • stelselmatig prijsgegevens had verzameld van verkoopprijzen van haar televisies zoals gehanteerd door haar retailers,
  • actief contact had opgenomen met die retailers die onder haar adviesprijzen televisies verkocht hadden,
  • actief haar retailers had aangespoord de verkoopprijzen te verhogen, en
  • haar retailers had aangemoedigd andere retailers te verklikken bij Samsung indien zij lagere prijzen hanteerden.

Door de stelselmatige afstemming die door Samsung werd gebezigd was er geen concurrentie op detailhandelsniveau en betaalden consumenten te hoge prijzen. Samsung had bezwaar ingediend tegen het besluit van de ACM, maar de ACM heeft dat bezwaar afgewezen. Nu heeft de rechtbank Rotterdam op het door Samsung ingestelde beroep beslist. Hieronder nemen we de argumenten van Samsung onder de loep en gaan we in op hoe de rechtbank daarop heeft beslist.

De argumenten van Samsung in het beroep bij de rechtbank

Samsung voert tegen het besluit van de ACM aan, dat:

  • Samsung gerechtvaardigde redenen had om de ontwikkelingen op de retailmarkt te volgen en om in dat kader retailers te herinneren aan de adviesprijzen van Samsung,
  • Er geen sprake was van afstemming van verkoopprijzen, maar van opvolging van adviesprijzen als logisch gevolg van de toelaatbaarheid van het delen van die adviesprijzen,
  • Er geen sprake is van beperking van de mededinging omdat er geen contractuele dwang of financiële prikkels zijn uitgeoefend door Samsung,
  • De ACM ten onrechte niet heeft onderzocht of de concurrentie tussen merken is verzwakt door de aan de kaak gestelde gedragingen,
  • Er geen sprake is van een enkele voortdurende inbreuk op basis van een totaalplan van Samsung.

Ook voert Samsung nog aan dat de opgelegde boete te hoog is. Op dat argument – dat ook is afgewezen – wordt in dit artikel niet ingegaan.

Beslissing van de rechtbank over de argumenten van Samsung

De rechtbank stelt dat de vrijheid van de retailers om naar eigen inzicht de wederverkoopprijzen vast te stellen stelselmatig is beperkt. Dat verlies aan vrijheid is typerend voor de mededingingsbeperkende strekking van de gedragingen. Contractuele dwang, sancties of financiële prikkels zijn slechts voorbeelden van middelen die kunnen leiden tot verticale prijsbinding, maar dat zijn geen voorwaarden. Doorslaggevend is, of er afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid om wederverkoopprijzen vast te stellen. Er was een voortdurend patroon van verzoeken tussen Samsung en retailers om de adviesprijzen te handhaven en elkaar op de hoogte te stellen van concurrenten die lagere prijzen hanteerden. Dit ging zowel van Samsung naar de retailers als andersom, waarbij retailers werden aangemoedigd om collega’s die onder de adviesprijs verkochten “aan te pakken”.

Het gebruik van dwang speelt vooral in situaties waarin retailers niet bereid zijn om gevraagde prijsaanpassingen door te voeren, maar in deze situatie was het aanpassen van de prijs juist financieel gunstig voor de retailers.

De ACM hoefde niet te onderzoeken of de prijsafstemming de concurrentie tussen merken verzwakte. Samsung stelde de bescherming van de marges van zowel Samsung als de retailers voorop. Het ontmoedigen van prijsverlagingen benadeelt consumenten, omdat het de concurrentie op prijs uitsluit. Prijs wordt beschouwd als het belangrijkste criterium voor concurrentie op de markt voor televisies, zodat de prijsafstemming de mededinging heeft geschaad. Voor de vaststelling van een voortdurende inbreuk mocht de ACM zich baseren op het naar voren gekomen totaalbeeld aan contactmomenten.

Conclusie

De rechtbank verklaart het beroep van Samsung ongegrond. Dit is een belangrijke uitspraak, omdat het stelselmatige monitoren en opvolgen van prijzen ertoe heeft geleid dat adviesprijzen met verloop van tijd vaste wederverkoopprijzen worden. Terwijl er geen sprake was van het dreigen met weigeringen te leveren, afpakken van bonussen of opzegging van overeenkomsten. De retailers hebben de verzoeken van Samsung in de praktijk opgevolgd, omdat dit voor hun eigen marges gunstig was. Hoewel het monitoren van prijzen door retailers is toegestaan voor interne administratieve doeleinden, mag de verkregen informatie niet breed worden gedeeld met andere retailers.

Samsung kan nog in beroep van de uitspraak bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

Heeft u vragen over mededingingsrecht in het algemeen, of verticale distributie en prijsmonitoring in het bijzonder, neemt u gerust contact op met Ferry Weelen en Tijs van Klink.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?