Ken uw zorgwetten 12!

Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW (de WGBO) wijzigt

Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW, oftewel de WGBO regelt sinds 1995 de plichten van de hulpverlener en de patiënt uit hoofde van de door hen gesloten behandelingsovereenkomst. Ingevolge de schakelbepaling gelden de beschreven plichten ook in andersoortige relaties. Iedereen kent de WGBO wel, maar wist u ook dat de WGBO aan een wetswijziging onderhevig is? Hieronder leest u welk voorstel is gedaan en wat de stand van zaken is. Een belangrijk (discussie)punt betreft de inzage in het dossier van een overleden patiënt.

Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW (ook wel bekend onder de naam WGBO) trad in werking op 1 april 1995. Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW regelt de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling, een bijzondere vorm van opdracht.

In 2016 werd een voorstel tot wijziging van een aantal artikelen ter consultatie voorgelegd. Het ging om wijzigingen van de artikelen 7:448 BW (de informatieplicht), 7:451 BW (schriftelijke vastlegging toestemming), 7:454 BW (dossierplicht), 7:455 BW (recht op vernietiging van bepaalde bescheiden), 7:456 BW (inzage- en afschriftrecht), 7:457 BW (geheimhoudingsplicht), 7:458 BW (inlichtingen en inzage in het kader van statistiek of wetenschappelijk onderzoek) en 7:464 BW (schakelbepaling). Het wetsvoorstel, zie Kamerstukken 34994, werd op 12 juli 2018 bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel is enigszins anders van opzet dan de consultatieversie.

Hier belicht ik de wijziging van artikel 7:457 BW en 7:458 BW door de toevoeging van artikel 7:458a BW (in het wetsvoorstel artikel I, onderdeel G). Artikel 7:458a BW regelt een recht op inzage in en afschrift van het medisch dossier voor nabestaanden, voormalig vertegenwoordigers en ouders of voogden van overleden kinderen. Het doel van het artikel is duidelijkheid te creëren voor zowel hulpverleners als nabestaanden en tegemoet te komen aan de behoefte van nabestaanden om het medisch dossier te kunnen inzien.

De afzonderlijke leden bekeken, volgt uit artikel 7:458a, eerste lid, onder a, BW dat een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven een inzagerecht heeft. Toestemming bij leven is dus een eerste grond om na overlijden van de patiënt het beroepsgeheim te doorbreken.

Een tweede grond volgt uit artikel 7:458a, eerste lid, onder b, BW; een nabestaande (als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)) of een gemachtigde van de patiënt (als bedoeld in artikel 7:465, derde lid, BW) heeft de mogelijkheid van inzage als de hulpverlener aan die nabestaande of gemachtigde reeds eerder een mededeling heeft gedaan over een calamiteit of geweld in de zorgrelatie. In dat verband is verwezen naar artikel 10, derde lid, Wkkgz dat ziet op een mededeling aan patiënten, vertegenwoordigers en nabestaanden over de aard en toedracht van alle incidenten die merkbare gevolgen hebben gehad voor de patiënt.

Een derde grond voor doorbreking van het beroepsgeheim is ingevolge artikel 7:458a, eerste lid, onder c, BW gelegen in de aanwezigheid van een zwaarwegend belang, zulks in navolging van de reeds ontwikkelde jurisprudentie. Deze grond geldt voor een ieder. Uit de toelichting volgt dat voldaan moet zijn aan twee voorwaarden:

1) Het belang van geheimhouding van informatie uit het medisch dossier moet worden gewogen tegen het zwaarwegend belang van de persoon die zich hierop beroept. Inzage wordt alleen gegeven wanneer aan de hand van voldoende concrete aanwijzingen wordt aangetoond dat het zwaarwegende belang geschaad zou kunnen worden.

2) Inzage moet noodzakelijk zijn voor de behartiging van dit zwaarwegende belang. Als voorbeeld van een zwaarwegend belang is het aanvechten van een rechtshandeling genoemd, waarbij betwist is dat de overleden patiënt wilsbekwaam was ten tijde van die rechtshandeling (opstellen of wijzigen van een testament). Een emotioneel belang is onvoldoende.

Aan de ouders en voogd (een voogd kan ook zijn een persoon in dienst van een gecertificeerde instelling) van een overleden minderjarige tot en met vijftien jaar is een ruimere inzagebevoegdheid toegekend, zo volgt uit artikel 7:458a, tweede lid, BW. Zij hebben een algemeen recht op inzage en afschrift, tenzij dit strijdig zou zijn met het goed hulpverlenerschap. Wel hebben minderjarigen van twaalf jaar en ouder de mogelijkheid om bij leven bezwaar te maken tegen die inzage of dat afschrift. Dit recht van bezwaar geldt ook voor wilsbekwame meerderjarigen, aldus artikel 7:458a, vierde lid, BW.

Zoals u wellicht heeft opgemerkt, is ‘de veronderstelde toestemming’ niet als grond opgenomen. In de praktijk is deze grond echter een veel gebruikte en daarom ontmoet(te) het voorstel in deze vorm kritiek. Ook tijdens het op 16 april jl. gevoerde debat werd meer dan eens aan de orde gesteld waarom ‘de veronderstelde toestemming’ als grond voor inzage in het dossier van een overleden niet in het wetsvoorstel is opgenomen. Minister Bruins gaf in reactie daarop te kennen te streven naar duidelijkheid. De veronderstelde toestemming is tegen die achtergrond niet passend te noemen, omdat zij interpretatie zou behoeven en tot uitvoeringsvragen zou leiden, aldus de minister. Tijdens het debat werd tevens een aantal moties ingediend en een aantal amendementen, onder meer verband houdende met het inzagerecht.

Op 19 april jl. werd voorts door de leden Hijink en Mulder een gewijzigd amendement ingediend (nr. 18, ter vervanging van nr. 10), inhoudende de toevoeging van een nieuw artikel 7:458b BW in. Het amendement regelt dat indien degene die verzoekt om inzage of afschrift vanwege een zwaarwegend belang geen afschrift of inzage van de hulpverlener verkrijgt, de hulpverlener inzage of afschrift dient te verstrekken aan een door de verzoeker aangewezen onafhankelijke arts. Deze arts krijgt hiervoor inzage in de relevante delen van het medisch dossier. Indien de weigering volgens de arts niet gerechtvaardigd is, verstrekt de hulpverlener alsnog inzage of afschrift aan de verzoeker. Indien de arts oordeelt dat de weigering tot inzage of afschrift gerechtvaardigd is, laat dit de mogelijkheid voor de verzoeker om een juridische procedure te starten onverlet. Met dit amendement wordt een laagdrempelige, onafhankelijke en tijdige beoordeling van een verzoek tot inzage van het medisch dossier van een overleden patiënt door de verzoeker georganiseerd.

De plenaire vergadering vond plaats op 23 april jl., in welke vergadering is gestemd over het wetsvoorstel, de moties en de amendementen. Het wetsvoorstel is aangenomen evenals het hiervoor beschreven amendement van de leden Hijink en Mulder (nr. 18).

Dit artikel is geschreven door Rolinka Wijne, Medewerker Wetenschappelijk Bureau

Lees ook eerdere artikelen uit dit feuilleton:

Ken uw zorgwetten 11
Ken uw zorgwetten 10
Ken uw zorgwetten 9
Ken uw zorgwetten 8
Ken uw zorgwetten 7
Ken uw zorgwetten 6

Ken uw zorgwetten 5
Ken uw zorgwetten 4
Ken uw zorgwetten 3
Ken uw zorgwetten 2
Ken uw zorgwetten 1

Rolinka Wijne, Wetenschappelijk Bureau

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar