Nieuws

Verpleegkundige werkzaam in een instelling voor Wvggz-zorg is ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht

Gepubliceerd op 9 sep 2026

Verpleegkundige werkzaam in een instelling voor Wvggz zorg is ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht

Op 25 augustus jl. heeft de Hoge Raad in een uitspraak het oordeel van het Hof Den Haag in stand gelaten welk oordeel erop neerkomt dat een verpleegkundige werkzaam in een instelling waar verplichte zorg op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (‘Wvggz’) wordt verleend, een ambtenaar is in de zin van de art. 180 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Wat was de aanleiding?

De verpleegkundige in deze kwestie was werkzaam in een instelling waar personen verblijven die verplicht zijn opgenomen op basis van een rechterlijke machtiging als bedoeld in de Wvggz. Op enig moment is de verpleegkundige mishandeld door een van de verplicht opgenomen personen. Naar aanleiding van de mishandeling heeft strafvervolging plaatsgevonden van de desbetreffende persoon. 

Het oordeel van het hof

De strafzaak is in hoger beroep beoordeeld door het Hof Den Haag. Het hof zag zich, evenals de rechtbank, gesteld voor de vraag of de verpleegkundige moest worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van de art. 180 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. 

Daartoe stelde het hof voorop dat in de rechtspraak wordt uitgegaan van een ruime opvatting voor het strafrechtelijke begrip van ambtenaar. Volgens de Hoge Raad wordt onder ‘ambtenaar’ ook begrepen ‘degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd’. Het hof ging er vervolgens vanuit dat de verpleegkundige in deze kwestie inderdaad als ambtenaar in de zin van bedoelde artikelen moet worden aangemerkt. 

Het hof legde aan dat oordeel ten grondslag dat de verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een rechterlijke beslissing in het kader van de Wvggz is opgenomen in een zorginstelling een overheidstaak is. De inhoud en de reikwijdte van de taken van de verpleegkundigen in het kader van de Wvggz zijn van overheidswege bepaald. Hun werkzaamheden zijn onder meer gebaseerd op het maatschappelijk belang om ernstig nadeel voor de betrokkenen zelf te voorkomen en om te voorkomen dat door het gedrag van de opgenomen patiënten de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar komt. Hun werkzaamheden worden verder uitgevoerd onder toezicht en controle van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (‘IGJ’). Dat dit extern toezicht is laat onverlet dat de IGJ over vergaande bevoegdheden beschikt betreffende het bestuur van en toezicht op een zorginstelling. De omstandigheid dat de arbeidsrelatie tussen de verpleegkundigen en hun werkgever geen publiekrechtelijk, maar een privaatrechtelijk karakter heeft, doet, in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad, niet ter zake. De privaatrechtelijk georganiseerde wijze van het leveren van verplichte en gedwongen zorg is het gevolg van democratisch genomen besluiten over de uitoefening van overheidstaken. Aan de functie van een verpleegkundige die haar of zijn functie uitoefent in het kader van de Wvggz kan een openbaar karakter dan ook niet worden ontzegd.

Conclusie

De Hoge Raad kon zich vinden in deze overwegingen oordeelde dat het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief