Nieuws
Beschikking Ondernemingskamer Enquêteverzoek en uitstotingsverzoek in kader overname GGZ-instelling
Gepubliceerd op 9 sep 2026
Onze mensen
Onlangs wees de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam een interessante beschikking over de overname van GGZ-instelling Inter-Psy B.V. Het ging daarbij om een enquêteverzoek en een uitstotingsverzoek.
Wat is de achtergrond?
Inter-Psy B.V. is een GGZ-instelling, opgericht door indirect aandeelhouder ‘A’. A is bestuurder en enig aandeelhouder van IP-Beheer B.V., dat op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder is van AYTSense Zorg Groep B.V.
In juni 2025 verkocht AYTSense Zorg Groep B.V. de aandelen in Inter-Psy B.V. aan Opos Bidco B.V., een dochtervennootschap van Opos Holdco B.V. In het kader van deze transactie verkreeg IP-Beheer B.V. een belang van 15% in Opos Holdco B.V. De overige aandelen worden gehouden door B, C, D en FAQYS Invexxit Capital B.V.
Kort na de transactie ontstonden spanningen over onder meer de samenwerking met indirect aandeelhouder A, de financiële positie van Inter-Psy B.V. en de Opos-groep (Opos Holdco, Opos Bidco, Inter-Psy, Mondium B.V., Opos Gezondheidszorg Leuven B.V., Opos Service Center en Opos Gezondheidszorg Cognito B.V.), over de governance en de nakoming van verplichtingen uit de transactie.
IP-Beheer B.V. verzocht daarop de Ondernemingskamer een enquête te gelasten. Volgens IP-Beheer B.V. waren er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken en noopte de toestand van de vennootschappen tot onmiddellijke voorzieningen. Samengevat voerde zij aan dat:
a. de beoogde zorginhoudelijke continuïteit na het vertrek van indirect aandeelhouder A niet meer was gewaarborgd;
b. sprake was van structurele governanceproblemen, waaronder onvoldoende zorginhoudelijke deskundigheid, gebrekkige rolvastheid en tekortschietend toezicht;
c. de kwaliteit en continuïteit van zorg onder druk stonden door personeelsverloop, werkdruk en bestuurlijke instabiliteit;
d. financieel beleid en risicobeheersing tekortschoten;
e. Opos c.s. inhoudelijke zorgen met escalatie en juridisering hadden beantwoord; en
f. de besluitvorming in de algemene vergadering van 23 december 2025 onzorgvuldig was verlopen.
De medeaandeelhouders, Opos c.s., verzochten op hun beurt om uitstoting van IP-Beheer B.V. Zij stelden dat voortzetting van haar aandeelhouderschap niet meer kon worden geduld, omdat:
a. IP-Beheer B.V. haar aanbiedingsverplichting uit de aandeelhoudersovereenkomst had geschonden; b. indirect aandeelhouder A zich structureel schadelijk had gedragen voor de vennootschappen, onder meer door onrust te veroorzaken, de samenwerking te frustreren en financiële verplichtingen niet na te komen;
c. IP-Beheer B.V. het non-concurrentiebeding had geschonden doordat A betrokken was geraakt bij een directe concurrent; en
d. IP-Beheer B.V. het anti-ronselbeding had geschonden door medewerkers van Inter-Psy B.V. te benaderen voor een concurrerende onderneming.
Opos c.s. beriepen zich daarbij onder meer op de aanbiedingsverplichtingen uit de aandeelhoudersovereenkomst.
Het oordeel
De Ondernemingskamer wees het enquêteverzoek af, wees het uitstotingsverzoek toe en verklaarde zich, gelet op het forumkeuzebeding in de aandeelhoudersovereenkomst, onbevoegd ten aanzien van de samenhangende vorderingen. Door de toewijzing van het uitstotingsverzoek moet IP-Beheer B.V. haar aandelen op grond van de aandeelhoudersovereenkomst als bad leaver aanbieden.
Daartoe overwoog de Ondernemingskamer het volgende.
Het enquêteverzoek
Zorginhoudelijke kwaliteit en governance
IP-Beheer B.V. had onvoldoende aanwijzingen aangevoerd dat de zorginhoudelijke continuïteit bij Inter-Psy B.V. onvoldoende was gewaarborgd. Na het vertrek van A waren vacatures ingevuld. Niet aannemelijk was geworden dat de kwaliteit of continuïteit van de zorg onvoldoende was geborgd, dat in strijd met de Governancecode Zorg was gehandeld, of dat zorginhoudelijke afwegingen onvoldoende in de besluitvorming werden betrokken. Ook had IP-Beheer B.V. onvoldoende concreet gemaakt dat structurele onduidelijkheid bestond over rollen, bevoegdheden of verantwoordelijkheden.
Personeelsverloop, werkdruk en continuïteit van zorg
De spanningen hadden weliswaar tot enige onrust geleid, maar niet bleek dat de continuïteit of kwaliteit van zorg daadwerkelijk in gevaar was gekomen. Ook was niet gebleken dat de organisatie daardoor zodanig had te lijden dat gegronde redenen bestonden voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Volgens een na het vertrek van A afgenomen klanttevredenheidsrapportage werd de zorg onverminderd hoog gewaardeerd.
Financieel beleid en risicobeheersing
Dat de vennootschappen financieel zwaar weer verkeerden, bood op zichzelf geen grond voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. In december 2025 was sprake van liquiditeitskrapte. In aanvullende middelen was voorzien door nieuw eigen vermogen en aandeelhoudersleningen van FAQYS Invexxit Capital B.V. en aandeelhouder B. Niet was gebleken dat het bestuur financiële risico’s had veronachtzaamd of onvoldoende had ingegrepen. Maatregelen waren getroffen om de liquiditeitspositie te stabiliseren en de continuïteit van de onderneming te waarborgen. De gestelde risico’s rond contractering door zorgverzekeraars en zorgkantoren leidden niet tot een ander oordeel.
Conflicthantering en besluitvorming
De Ondernemingskamer stelde vast dat sprake was van een ernstig aandeelhoudersconflict, met over en weer verwijten en diverse procedures. Gezien het aandeel daarin van A en aan hem gelieerde vennootschappen, droeg dit niet bij aan toewijzing van het enquêteverzoek. Ook de gang van zaken rond de algemene vergadering van 23 december 2025 gaf geen aanleiding tot twijfel aan beleid of gang van zaken. In die vergadering was besloten tot een aandelenemissie ter versterking van het eigen vermogen.
Het uitstotingsverzoek
De Ondernemingskamer stelde voorop dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen, althans dat deze geen rechtsgevolg had gekregen voor de beoogde uitkoop van IP-Beheer B.V.
In het najaar van 2025 kwam Inter-Psy B.V. financieel in zwaar weer, mede door overschrijding van omzetplafonds vóór de overname. Daardoor ontstonden aanzienlijke terugbetalingsverplichtingen aan zorgverzekeraars, die vervolgens verrekenden met verplichtingen uit de periode na de overname. Inter-Psy B.V. kreeg hierdoor liquiditeitsproblemen en Rabobank plaatste haar onder bijzonder beheer.
In de koopovereenkomst was onderkend dat zulke verplichtingen konden ontstaan. AYTSense Zorg Groep B.V. had daarom een vrijwaringsverplichting aanvaard en werd vanaf oktober 2025 tot nakoming daarvan aangesproken. Hoewel die verplichting inhoudelijk niet werd betwist, stelde AYTSense Zorg Groep B.V. zonder contractuele basis dat deze pas opeisbaar was na vaststelling van de jaarrekening. Ook beriep zij zich op bepalingen uit de vaststellingsovereenkomst, terwijl al snel duidelijk was dat die zonder instemming van Rabobank niet in werking zou treden.
Indirect aandeelhouder A vroeg vervolgens het faillissement van Inter-Psy B.V. aan, terwijl de vennootschap nog geen twee weken in verzuim was. Hij wist dat de financiële problemen mede voortkwamen uit het niet nakomen van de vrijwaringsverplichtingen door AYTSense Zorg Groep B.V. Daarmee werd het voortbestaan van Inter-Psy B.V. willens en wetens op het spel gezet.
De Ondernemingskamer benadrukte dat Inter-Psy B.V. een belangrijke regionale functie in de geestelijke gezondheidszorg vervult. Haar belang wordt daarom niet alleen bepaald door duurzame langetermijnwaardecreatie, maar ook door het publieke belang bij continuïteit en toegankelijkheid van hoogwaardige GGZ. Op grond van artikel 2:8 BW moesten IP-Beheer B.V., A en AYTSense Zorg Groep B.V. dat belang mede in aanmerking nemen.
Door de welbewuste tekortkoming in de nakoming van het vrijwaringsbeding en de daaropvolgende faillissementsaanvraag hebben zij Inter-Psy B.V. in grote financiële problemen gebracht en tot speelbal gemaakt in het aandeelhoudersconflict. Daarmee hebben zij ernstig gehandeld in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens Inter-Psy B.V. Het aandeelhouderschap van IP-Beheer B.V. kon daarom in redelijkheid niet langer worden geduld.
De samenhangende vorderingen
De samenhangende vorderingen waren gebaseerd op de aandeelhoudersovereenkomst. Partijen hadden daarin gekozen voor exclusieve bevoegdheid van de rechter in Arnhem. De Ondernemingskamer verklaarde zich daarom onbevoegd en verwees de vorderingen naar de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.
Conclusie
De Ondernemingskamer wijst het verzoek van IP-Beheer af en veroordeelt IP-Beheer tot overdracht aan de overige aandeelhouders binnen twee weken na betekening van deze beschikking van alle door haar gehouden aandelen in het kapitaal van Opos Holdco B.V. en tegen betaling van een vastgestelde som. De overdracht dient naar evenredigheid van belang van de overige aandeelhouders plaats te vinden. Indien dat niet mogelijk is, loting door de door OPOS Holdco B.V. aan te wijzen notaris zal beslissen.
Onze mensen
Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.