Nieuws

Update rechtspraak Gezondheidsrecht augustus 2026

Gepubliceerd op 16 sep 2026

Update rechtspraak Gezondheidsrecht augustus 2026

Deze update omvat een selectie van uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht die in de maand augustus op www.rechtspraak.nl zijn gepubliceerd. Elke uitspraak is voorzien van een inhoudsindicatie en een link naar de volledige uitspraak.

Rechtbank Gelderland 6 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6315

Publicatiedatum: 6 augustus 2026

Een zorgverzekeraar beëindigt de zorgovereenkomst, omdat er na onderzoek volgens hen vast is komen te staan dat er een overlap is in uren van zorg die door de zorgverlener op twee verschillende locaties zou zijn verleend. Deze zorgverlener vindt dat het fraudeonderzoek niet zorgvuldig is geweest, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen. De zorgverlener voert ook aan dat de conclusies uit het fraudeonderzoek niet kloppen. Dat kan in deze procedure echter niet worden vastgesteld. Bovendien heeft de zorgverzekeraar nog een reden aangevoerd om de zorgovereenkomst te beëindigen. De zorgverlener heeft ten onrechte verklaard dat zij geen belastingschulden had. De voorzieningenrechter stelt vast dat de zorgverzekeraar op dit punt gelijk heeft. Het ten onrechte niet vermelden van belastingschulden kan ook als fraude worden gedefinieerd. De door de zorgverzekeraar te nemen fraudemaatregelen zijn daarom niet onrechtmatig, de zorgverzekeraar is gerechtigd om de zorgovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.

Rechtbank Overijssel 21 augustus 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5138

Publicatiedatum: 21 augustus 2026

Deze uitspraak gaat over een aanwijzing van de minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport aan een zorgaanbieder, omdat de door haar geboden zorg niet voldoet aan de eisen van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. De aanwijzing is openbaar gemaakt door dit samen met een publicatieversie van het inspectierapport en een begeleidend persbericht te publiceren op de website van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd. De zorgaanbieder is het niet eens met de aanwijzing en heeft daarom bezwaar gemaakt en in deze procedure de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de zorg aan haar cliënten niet hoeft te worden beëindigd en de aanwijzing niet openbaar wordt gemaakt totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst de aanwijzing en het besluit tot openbaarmaking totdat op het bezwaar is beslist. Hierbij heeft de voorzieningenrechter de belangen gewogen en een groter gewicht toegekend aan de belangen van de cliënten van de zorgaanbieder om te voorkomen dat hangende de bezwaarprocedure onomkeerbare gevolgen ontstaan.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7726

Publicatiedatum: 21 augustus 2026

Eiseres, die in Iran haar verloskunde diploma gehaald, gaat in beroep omdat haar verklaring van vakbekwaamheid voor het beroep verloskundige op grond van de Wet BIG wordt afgewezen. Zij stelt dat de adviezen van de CBGV, op basis waarvan door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft besloten niet zorgvuldig tot stand gekomen zijn en acht het onterecht dat haar beroepservaringen en praktijkerving niet is meegewogen. De rechtbank wijst erop dat de beroepservaring wel degelijk is meegewogen, maar niet compenseert voor het missen van bepaalde vaardigheden. Ook is hierbij relevant dat de werkervaring van eiseres meer dan vijf jaar geleden is. Iedere beroepsbeoefenaar, ook die met een Nederlandse diploma of diploma uit een EU-land van ouder dan vijf jaar, zal voor de eerste registratie in het BIG-register moeten aantonen dat hij of zij voldoet aan de werkervarings- of scholingscriteria. Dit is door eiseres niet aangetoond, waardoor de minister kan volgen dat de CBGV alleen rekening houdt met werkervaring die niet ouder is dan vijf jaar. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

Rechtbank Den Haag 21 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21936

Publicatiedatum: 6 augustus 2026

Een zorgverzekeraar past de Wet Bibob toe in de inkoopprocedure voor Wlz-zorg. De rechter oordeelt dat dit niet is toegestaan op basis van de op dit moment geldende wettelijke regeling, wat ertoe leidt dat het gedaagde wordt verboden om van inschrijvers nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Wet Bibob te verlangen tijdens de loop van de inkoopprocedure en in de te sluiten overeenkomsten, zolang deze wet in de huidige vorm van kracht is.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7937

Publicatiedatum: 20 augustus 2026

In dit kort geding spreken een ziekenhuis en een medisch specialistisch bedrijf (‘MSB’) een individuele medisch specialist en diens praktijkvennootschap aan. De vraag is of de individuele medisch specialist met het oprichten van een handzenuwcentrum via de praktijkvennootschap, ongeoorloofd concurreert met de zorg die binnen het ziekenhuis geleverd wordt. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat, omdat het ziekenhuis geen partij is bij de ledenovereenkomst gesloten tussen het MSB en de individuele medisch specialist - en aan haar stelling dat de individuele medisch specialist en de praktijkvennootschap onrechtmatig jegens haar handelt onvoldoende ten grondslag legt - de vorderingen voor zover die zijn ingesteld door het ziekenhuis worden afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat wel aannemelijk is dat het concurrentiebeding dat werd overeengekomen met het MSB wordt geschonden. Er is sprake van concurrerende zorg. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat de toestemming die de individuele medisch specialist kreeg om activiteiten buiten het ziekenhuis te ontplooien zo ruim moet worden opgevat dat de activiteiten binnen het handzenuwcentrum daaronder kunnen vallen. Het is verder niet zo dat  het MSB nu op onredelijke gronden geen toestemming geeft voor participatie van de individuele medisch specialist in het handzenuwcentrum. Geoordeeld wordt dat de individuele medisch specialist binnen een maand de bestuurlijke taken neergelegd moet hebben en ook gestopt moet zijn met het bieden van medisch specialistische zorg.

Gerechtshof Amsterdam Ondernemingskamer 13 augustus 2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2222

Publicatiedatum: 13 augustus 2026

Een vennootschap die in zorgvilla’s intensieve, gespecialiseerde (verpleegkundige) zorg aan ernstig zieke en/of meervoudig beperkte kinderen verleent (hierna: zorgaanbieder) heeft besloten de door haar in de villa’s verleende zorg over te dragen en uiteindelijk te staken. De cliëntenraad van de zorgaanbieder (‘CR’) heeft kritiek op dit besluit zelf en de wijze waarop het besluit door het bestuur van de vennootschap wordt uitgevoerd. De CR maakt zich ernstig zorgen over de continuïteit en de kwaliteit van de zorg die de zorgaanbieder aan haar cliënten moet bieden. Toezeggingen die de zorgaanbieder hierover heeft gedaan, komt zij volgens de CR niet na. Twee van de vier villa’s zijn onlangs op last van de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd gesloten. De CR is een spoedprocedure gestart bij de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (‘LCvV’) met het verzoek om onder andere het besluit en de uitvoering daarvan te schorsen. Dit verzoek is afgewezen. De LCvV heeft op juiste gronden geoordeeld dat uit het bepaalde in art. 9 lid 4 Wmcz 2018 volgt dat zij alleen kan uitspreken dat een ongevraagd advies moet worden opgevolgd als het gaat om een onderwerp dat de instemming van een cliëntenraad behoeft in de zin van art. 8 Wmcz 2018. Daarvan was in dit geval geen sprake. De CR verzoekt daarnaast aan de Ondernemingskamer om een onderzoek bij de zorgaanbieder te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen. De Ondernemingskamer is van oordeel dat het enquêteverzoek op grond van een belangenafweging moet worden afgewezen. Daartoe overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Het belang van de zorgaanbieder, haar cliënten en hun ouders en verzorgers is gelegen in een veilige en passende continuering van de zorg aan de cliënten. Die belangen worden nu niet gediend met een onderzoek. Dat een enquêteonderzoek, al dan niet in combinatie met het treffen van onmiddellijke voorzieningen, ertoe zou kunnen leiden dat de zorg in de villa’s wordt gecontinueerd respectievelijk – voor de twee gesloten villa’s – zou worden hervat, is onaannemelijk

Rechtbank Gelderland 29 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6059

Publicatiedatum: 3 augustus 2026

Het gaat in deze zaak om de vraag of een zorgverzekeraar de aanvragen voor vergoeding van chirurgische aangezichtsbehandelingen voor de eiseres – met als doel mannelijke trekken uit haar gezicht weg te nemen en haar gezicht vrouwelijker te maken (ook wel ‘faciale feminisatie’ genoemd, hierna FFS) – had mogen afwijzen. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of sprake is van een passabiliteitsprobleem. Het primaat bij het stellen van de medische indicatie ligt bij de behandelend arts. De zorgverzekeraar heeft niet mogen oordelen dat de indicatiestelling van de behandelend arts onnavolgbaar is. De kantonrechter wijst de vorderingen van de eiseres toe.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief