Nieuws
Het Openbaar Ministerie moet de brief met de namen van de psychiaters aan de ouders van Milou verstrekken
Gepubliceerd op 14 sep 2026
Onze mensen
In samenwerking met
Op 3 september jl. besliste de rechtbank in de inmiddels veel besproken zaak ‘Milou’ dat het Openbaar Ministerie aan de ouders van Milou de brief moeten verstrekken die veertien psychiaters eerder aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal verzonden.
Wat is de achtergrond?
Brief Openbaar Ministerie
De aanleiding voor de uitspraak van de rechtbank is de euthanasie in 2023 van de destijds 17-jarige Milou. De Regionale Toetsingscommissie Euthanasie beoordeelde de euthanasie als zorgvuldig (RTE-oordeel 2024-003, publicatiedatum 11 april 2024).
Op 7 mei 2024 ontving het Openbaar Ministerie (OM) een brief met als onderwerp “ontsporend discours over euthanasie bij psychisch lijden schaadt kwetsbare patiënten”. De brief was gericht aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal van het OM, gedateerd 29 april 2024 en ondertekend door psychiater W.P.A. van Rooij, psychiater te Veldhoven. Onderaan de brief is vermeld dat de brief ‘tot nu toe’ wordt ondersteund door dertien artsen (voornamelijk psychiaters), onder vermelding van hun namen en functies. In deze brief staat onder meer het volgende:
“O.a. in een serie recente Linkedln posts van STICHTING KEA wordt euthanasie bij psychisch lijden openlijk en indringend aangeprezen als een humane oplossing of zelfs een ‘behandeloptie’ genoemd voor wanhopige patiënten, ondersteund met emotionele verhalen van zowel kwetsbare patiënten als hun naasten. Onlangs werd het verhaal van een 17-jarige patiënte die werd geëuthanaseerd breed verspreid op social media, waarbij via STICHTING KEA zelfs het zeer persoonlijke verhaal van aangedane familieleden breed werd verspreid om te benadrukken hoe goed het was dat deze patiënte uit haar lijden verlost was en dat haar leven niet meer levenswaardig was.
(…)
Op grond van bovenstaande ondersteun ik dan ook als bezorgde psychiater de suggestie van X Y (De Stichting Z namens naasten en nabestaanden) om na te gaan of de eerder genoemde casus van de 17-jarige patiënte, die onlangs overleed door euthanasie, te onderwerpen aan verkennend strafrechtelijk onderzoek, zich toespitsend op de vraag in hoeverre de naasten van deze kwetsbare patiënte, in samenwerking met de bij deze euthanasie betrokken KEA-psychiaters Oosterhoff en Vanmechelen, de jonge patiënte beïnvloed hebben in haar keuze voor euthanasie, waarbij er bovendien aanwijzingen zijn vanuit de door STICHTING KEA publiekelijk verspreide informatie over deze casus dat patiënte niet meer volledig wilsbekwaam haar eigen recht op leven kon beoordelen of haar eigen zorgvraag in een situatie van nood nog kon behartigen. (…)”
Er vond vervolgens op 8 juli 2024 een gesprek plaats tussen de voorzitter van het College van procureurs-generaal en twee andere psychiaters, wier identiteit bekend was omdat ook hun naam in de brief vermeld stond.
Op 19 juli 2024 verscheen in de NRC een interview met D.A.J.P. Denys, psychiater te Amsterdam. In dat interview maakte hij melding van de brief en van het gesprek dat had plaatsgevonden op 8 juli 2024.
Na het interview nam de psychiater die de euthanasie van Milou had uitgevoerd, contact op met het OM met het verzoek om de brief aan hem toe te sturen. Hij kreeg de brief op 22 juli 2024 maar niet de namen van de ondertekenaars (op één na).
Verzoek en tuchtklacht ouders
Ook de ouders van Milou verzochten om een afschrift van de brief en deden daarbij een beroep op de Wet open overheid (Woo). Dit was op 27 maart 2025. Diezelfde dag reageerde het OM afwijzend met als reden, kort gezegd, dat het OM de persoonlijke levenssfeer van de ondertekenaars moet respecteren. De ouders dienden daarop een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam. De klacht is gericht tegen vijf van de inmiddels zes bekende artsen en tegen de overige, anoniem gebleven artsen. De klacht komt er, samengevat, op neer dat de artsen diverse tuchtnormen hebben geschonden en (daarmee) niet als een zorgvuldig arts hebben gehandeld.
Op 7 november 2025 heeft de secretaris van het tuchtcollege het OM verzocht de namen, specialismen en de BIG-nummers van de anoniem gebleven artsen te verstrekken. In een brief van 9 december 2025 liet het OM weten dat het niet aan het verzoek van het tuchtcollege kon voldoen. In deze brief lichtte het OM toe dat geen sprake was van een strafbaar feit en het OM de brief niet heeft opgevat als een verzoek om strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Daarmee was er, aldus het OM, geen sprake van strafvorderlijke gegevens en is de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming op het informatieverzoek van toepassing. Volgens het OM bestaat op basis van die wet geen grond om de namen van de artsen te verstrekken. Het OM lichtte daarbij toe het belangrijk te vinden dat informatie die het vertrouwelijk ontvangt, ook vertrouwelijk behandeld wordt.
Op 4 mei 2026 heeft de voorzitter van het tuchtcollege klagers in hun klachten tegen de anoniem gebleven artsen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In de (vrijwel identieke) beslissingen overwoog de voorzitter – samengevat – dat het tuchtcollege de namen bij het OM heeft opgevraagd, het OM gemotiveerd heeft geweigerd aan dat verzoek te voldoen en dat de voorzitter de redenering van het OM kon volgen. Verder overwoog de voorzitter dat geen grondslag in artikel 66 lid 4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg bestaat voor het opvragen van de namen van de anoniem gebleven artsen bij de bekende artsen, en dat hij ook geen aanleiding zag om de bekende artsen toch te vragen om de namen van de anoniem gebleven artsen bekend te maken. De voorzitter oordeelde tot slot dat geen verdere inspanningen van het tuchtcollege kunnen worden gevergd en – nu zowel de ouders als de secretaris van het tuchtcollege de namen van de artsen niet hebben kunnen achterhalen – de ouders kennelijk niet-ontvankelijk zijn in de klachten.
Verzoek ouders aan de voorzieningenrechter
Vervolgens hebben de ouders de voorzieningenrechter verzocht het OM te veroordelen om een afschrift van de ongelakte brief van 29 april 2024 aan hen te verstrekken of daarin inzage te geven, dan wel om de identiteit van de (nog onbekende) ondertekenaars te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Oordeel voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelde voorop dat het verzoek om inzage gegrond is op het nieuwe artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Relevant in dat licht is dat in artikel 194, derde lid, Rv het volgende is bepaald:
- “Betreffen de gegevens publieke informatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet open overheid en is degene die over die gegevens beschikt geen partij bij de rechtsbetrekking, bedoeld in het eerste lid [van artikel 194 Rv], dan is diegene niet verplicht tot verstrekking van inzage, afschrift of uittreksel van de verzochte gegevens voor zover die gegevens op grond van de Wet open overheid ook niet hoeven te worden verstrekt.” [dikgedrukt door auteur]
Omdat de brief die het OM heeft ontvangen publieke informatie is, en het OM geen partij is bij de rechtsbetrekking (maar een derde), gaat het er aldus om te beoordelen of de brief inclusief namen al dan niet met succes op grond van de Wet open overheid (Woo) zou kunnen worden verkregen. En dat is dan ook wat de voorzieningenrechter vervolgens is gaan doen.
De voorzieningenrechter heeft in dat kader het door het OM ingeroepen artikel 5.1, tweede lid, onder e en i, Woo beoordeeld alsook de uitzonderingsgrond vervat in artikel 5.6, eerste lid, Woo.
In artikel 5.1 lid 2, onder e en i, Woo staat het volgende:
“Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.”
In artikel 5.6 lid 1 Woo staat het volgende:
“Het bestuursorgaan kan, in geval informatie ingevolge de artikelen 5.1 en 5.2 niet openbaar gemaakt kan worden, besluiten de informatie uitsluitend aan de verzoeker te verstrekken, indien er klemmende redenen zijn om de verzoeker niettegenstaande de toepasselijke uitzonderingsgrond of -gronden de gevraagde informatie niet te onthouden.”
De voorzieningenrechter kwam vervolgens tot de conclusie dat de ouders zich kunnen beroepen op artikel 5.6, eerste lid, Woo. Er zijn klemmende redenen. De voorzieningenrechter noemde in dat licht dat de ouders een zwaarwegend belang hebben bij afschrift. Daarbij hechtte de voorzieningenrechter waarde aan de omstandigheid dat de ouders gemotiveerd hebben toegelicht dat zij (nog steeds) grote gevolgen ondervinden van de in de brief geuite beschuldigingen. Zij hebben aan de hand van stukken onderbouwd dat de daarin geuite aantijgingen hen van reguliere en sociale media tot aan hun e-mail- en huisadres achtervolgen. Zij hebben verklaard dat zij zich als gevolg daarvan onveilig voelen en dat het rouwproces daardoor wordt overschaduwd. De ouders willen de artsen die zich aan deze brief hebben verbonden daarom op de inhoud daarvan kunnen aanspreken. Dat kan vanzelfsprekend alleen als zij over de namen van die artsen beschikken. Vast staat dat op dit moment zes van de veertien artsen zich aan de ouders bekend hebben gemaakt. De andere artsen hebben zich om onduidelijke redenen (nog) niet bij hen gemeld. De ouders hebben via het tuchtcollege geprobeerd om de namen te achterhalen, maar dat is niet gelukt. Ook hebben zij op de zitting toegelicht dat zij, via één van de hen wel bekende artsen, het verzoek aan de ondertekenaar hebben gedaan om de overige namen aan hen bekend te maken, maar daarop geen reactie hebben ontvangen.
Het achterwege blijven van verstrekking zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter onevenredig nadeel voor de ouders opleveren. De voorzieningenrechter woog ook mee dat uit de brief niet valt af te leiden dat de ondertekenaars hebben verzocht om deze vertrouwelijk te behandelen.
Het OM is aldus veroordeeld om binnen vijf werkdagen na de datum van het vonnis een afschrift van de brief, gedateerd 29 april 2024 en met als onderwerp “ontsporend discours over euthanasie bij psychisch lijden schaadt kwetsbare patiënten”, waarop de namen van alle artsen (zoals vermeld op de laatste bladzijde van de brief) zichtbaar zijn, aan de ouders te verstrekken.
Ook heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de ouders de namen van de nu nog niet bekende ondertekenaars uitsluitend mogen gebruiken om hen rechtstreeks aan te schrijven en hen (civielrechtelijk of tuchtrechtelijk) in rechte te betrekken of om (strafrechtelijke) aangifte te doen.
Onze mensen
Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.