In de Kamerbrief van 11 december 2025 deelde demissionair minister Bruijn nog een herbezinning op het winstverbod in drie denkrichtingen: a) een gedifferentieerde benadering, b) een gelijk speelveld en c) een algeheel winstuitkeringsverbod voor de hele zorg. De verdere uitwerking liet hij over aan het nieuwe kabinet. Dat kabinet opteert nu voor een gelijk speelveld: ruimte voor bescheiden winstuitkeringen, maar niet voor investeringen gedreven door hoge winstuitkeringen, gecombineerd met maatregelen die excessen tegengaan zoals een maximum op winstuitkeringen en aangescherpte voorwaarden. Daarmee wijkt het kabinet af van het aangepaste wetsvoorstel van januari 2025, dat nog uitging van een gedifferentieerde benadering, waarbij voor sommige zorg- of leveringsvormen geen plek is voor winstuitkering en voor andere vormen onder voorwaarden wel.
Het meest opmerkelijke aan het voorstel is dat het kabinet het uitkeren van winst mogelijk wil maken voor álle zorgaanbieders in combinatie met een maximum percentage. Wij vragen ons met name af of deze voorwaarden de toets van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) zullen doorstaan. Volgens het HvJEU moeten beperkingen van vrijheden (zoals de vrijheid van eigendom, vestiging en kapitaal) noodzakelijk, geschikt en evenredig zijn. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de nationale autoriteiten deze beperkingen op een coherente en consistente wijze toepassen. Dit kwam ook aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025 in de zaak van Radiology Holland (zie ook onderdeel 1). We zijn dan ook benieuwd naar (onder meer) het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op dit punt.
In het verlengde hiervan vragen wij ons ook af hoe de definitie van ‘zorgaanbieder’ als normadressaat in de nota van wijziging exact komt te luiden, meer specifiek of in dat verband wordt aangesloten bij de huidige definitie in de Wmg. Dat zou onder meer betekenen dat ook aanbieders die geen Zvw- of Wlz-zorg verlenen rekening moeten gaan houden met (strengere) voorwaarden voor het uitkeren van winst, náást aanbieders van Zvw- of Wlz-zorg zonder verzekerde aanspraak.
Tot slot vinden wij het niet vreemd dat het kabinet een gelijk speelveld wenst te creëren voor hoofd- en onderaannemers. Veel zelfstandige behandelcentra (voor medisch specialistische zorg) hanteren immers een hoofd- en onderaannemingsconstructie met een stichting (als hoofdaannemer) die geen winst mag uitkeren en een besloten vennootschap (als onderaannemer) waaraan de feitelijke zorgverlening wordt uitbesteed en wél winst mag uitkeren. Een constructie als voornoemd brengt niet alleen dubbele lasten met zich mee (denk aan (mogelijk) twee vergunningen, twee besturen, twee interne toezichthouders, etc.), maar geeft ook te denken over de houdbaarheid van het onderscheid tussen hoofd- en onderaannemers.
Wij volgen de ontwikkelingen op de voet. Wordt vervolgd!