Nieuws

Update aanscherpingen wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz)

Gepubliceerd op 7 jul 2026

Update aanscherpingen wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz)

Het kabinet heeft op 3 juli jl. een aanvulling op het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) gepresenteerd. De aanvulling bestaat uit diverse aanscherpingen van de normen voor winstuitkeringen en bedrijfsvoering, bedoeld om misbruik van zorggeld en zelfverrijking tegen te gaan. 

In deze update lichten we het voorstel van het kabinet op hoofdlijnen toe. Van verdere ontwikkelingen houden we u op de hoogte. 

Op 29 januari 2025 is het aangepaste wetsvoorstel voor de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) bij de Tweede Kamer ingediend. In 2024 plaatste de Afdeling Advisering van de Raad van State namelijk uiterst kritische kanttekeningen bij het eerdere wetsvoorstel. De Afdeling adviseerde zelfs van het wetsvoorstel af te zien, als er geen nadere motivering voor de noodzaak zou volgen. Mede hierdoor is het wetsvoorstel aangepast. Over dit aangepaste wetsvoorstel schreven we eerder deze Q&A

Verder volgde op 22 oktober 2025 de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de zaak van Radiology Holland B.V. In deze zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister het winstuitkeringsverbod niet coherent en consistent heeft toegepast. De Afdeling oordeelde dat de toepassing van deze regels in de zaak van Radiology Holland in strijd is met Europees recht. Deze uitspraak heeft gezorgd voor onduidelijkheid over de toepasbaarheid en handhaafbaarheid van het huidige winstuitkeringsverbod in de zorg. Over deze uitspraak schreven wij eerder deze bijdrage

Het huidige kabinet vindt het eerdere wetsvoorstel een stap in de goede richting voor het borgen van verantwoord ondernemerschap in de zorg, maar volgens het kabinet is meer nodig. Met de voorgestelde aanvulling wil het kabinet de voorgestelde normen strenger, duidelijker en meer handhaafbaar maken. Daarnaast wil het kabinet met het voorstel duidelijkheid verschaffen over de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod, mede naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de Afdeling.  

Het kabinet stelt aanscherpingen voor ten aanzien van de volgende onderdelen:

  1. normen voor winstuitkering; 
  2. normen voor bedrijfsvoering; 
  3. een ‘stopregeling’ bij het einde van de kwalificatie als zorg- of jeugdhulpaanbieder; 
  4. de jaarverantwoording als extra grond voor intrekking van de toelatingsvergunning.

Deze aanscherpingen lichten we in de volgende onderdelen toe.  

Het kabinet vindt dat de regels over winstuitkering in de zorg tekortschieten. Ten eerste zijn er op dit moment voor veel aanbieders en sectoren geen grenzen gesteld aan de mate waarin winst kan worden uitgekeerd. Hierdoor bestaat het risico dat het uitkeren van winst belangrijker wordt gevonden dan het leveren van goede zorg. Ten tweede zijn de huidige regels over winstuitkering onvoldoende eerlijk en handhaafbaar. Volgens het kabinet zijn de verschillen per sector of leveringsvorm niet meer goed uit te leggen. Het kabinet wil de regels dan ook gelijk trekken: alle aanbieders van zorg- en jeugdhulp kunnen een bescheiden winst uitkeren, onder strenge voorwaarden. Hierbij wordt ook geen onderscheid meer gemaakt tussen hoofd- en onderaannemers, zodat ook geen uitwijkconstructies meer mogelijk zijn. 

Het kabinet stelt de volgende aanscherpingen voor:

  1. een maximum percentage winstuitkering: het wordt álle aanbieders toegestaan een bescheiden winst uit te keren, ongeacht sector en leveringsvorm. Welk maximum wordt beoogd, staat nog niet vast.  Het kabinet laat daar eerst nader onderzoek naar doen; 
  2. voorwaarden voor winstuitkering:  
  • het voldoen aan de jaarverantwoording; 
  • het voldoen aan de norm voor “het hanteren van normale marktomstandigheden bij grote transacties met verbonden partijen”;
  • naleving van het verbod op “onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of aantrekken van eigen of vreemd vermogen”

De laatste twee voorwaarden zijn onderdeel van het eerder aangepaste wetsvoorstel (zie ook onderdelen 7 en 8 van onze Q&A).

Het kabinet stelt de volgende concretiseringen en verduidelijkingen voor:

a. de norm voor “het hanteren van normale marktomstandigheden bij grote transacties met verbonden partijen” moet worden uitgewerkt en verduidelijkt. 

In de algemene maatregel van bestuur (AMvB) moet worden geconcretiseerd wat wordt verstaan onder “verbonden partijen” en “van betekenis zijnde transacties”. In het wetsvoorstel wordt hiervoor een delegatiegrondslag opgenomen. Dit geeft ook de mogelijkheid om extra voorwaarden op te nemen. 

In dit kader is het de bedoeling om in de AMvB een meldplicht op te nemen voor vastgoedtransacties, op grond waarvan aanbieders die een vastgoedtransactie willen aangaan met een “verbonden partij” verplicht worden om dit vooraf te melden bij de NZa. 

b. het verbod op “onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen is voorwaarde voor het uitkeren van winst. 

Het kabinet stel voor ook deze norm in de AMvB te verduidelijken. Hiervoor wordt beoogd een delegatiegrondslag in de wet op te nemen. In de AMvB kan worden geconcretiseerd wat als “onverantwoorde risico’s” worden gezien. Verder biedt dit de mogelijkheid om extra voorwaarden aan financieringsconstructies te stellen. 

De aanscherping die het kabinet wil opnemen is het beperken van schulden, aangegaan door de aankoper, die bij een overname worden afgewenteld op de (overgenomen) zorg- of jeugdhulpaanbieder. 

De stopregeling moet gaan gelden als een anti-misbruikbepaling en regelen dat voormalige zorg- en jeugdhulpaanbieders moeten blijven voldoen aan de verplichtingen die bestaan op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) of de Jeugdwet, zoals de administratieverplichtingen, openbare jaarverantwoording en voorwaarden voor winstuitkeringen. Dit geldt over de periode dat zij een zorg- of jeugdhulpaanbieder waren. De rechtsopvolger, of als deze er niet is, de (voormalig) bestuurders blijven daarop ook aanspreekbaar door de NZa. 

Met de stopregeling wil het kabinet tegengaan dat als een aanbieder stopt met het leveren van zorg of jeugdhulp niet meer voldoet aan de wettelijke definitie van zorgaanbieder of jeugdhulpaanbieder en niet langer verplicht is om aan de bepalingen van de Wmg en de Jeugdwet na te leven. Deze regeling kan ertoe leiden dat onrechtmatige winstuitkeringen worden teruggehaald bij de ontvangers daarvan. Ook wordt beoogd om een slot-jaarverantwoording verplicht te stellen. 

Het kabinet wil tegengaan dat aanbieders zich onttrekken aan de verplichting om via de openbare jaarverantwoording transparantie te bieden over hun bedrijfsvoering richting maatschappij, stakeholders en externe toezichthouders. Ondanks dat de NZa al bestuursrechtelijke sancties kan opleggen, zijn er aanbieders die meerdere boekjaren achter elkaar onjuist, onvolledig of niet (tijdig) een jaarverantwoording openbare. Om deze reden stelt het kabinet voor dat de toelatingsvergunning kan worden ingetrokken bij meerjarige overtreding van de verplichting tot aanlevering van de jaarverantwoording. 

Het kabinet bereidt momenteel een nota van wijziging met de voorgestelde aanscherpingen voor. Deze nota van wijziging zal voor toetsing naar diverse uitvoeringsinstanties worden gestuurd. Vervolgens gaat de nota van wijziging voor advies naar de Afdeling Advisering van de Raad van State, waarna deze aan de Tweede Kamer kan worden aangeboden. 

In de Kamerbrief van 11 december 2025 deelde demissionair minister Bruijn nog een herbezinning op het winstverbod in drie denkrichtingen: a) een gedifferentieerde benadering, b) een gelijk speelveld en c) een algeheel winstuitkeringsverbod voor de hele zorg. De verdere uitwerking liet hij over aan het nieuwe kabinet. Dat kabinet opteert nu voor een gelijk speelveld: ruimte voor bescheiden winstuitkeringen, maar niet voor investeringen gedreven door hoge winstuitkeringen, gecombineerd met maatregelen die excessen tegengaan zoals een maximum op winstuitkeringen en aangescherpte voorwaarden. Daarmee wijkt het kabinet af van het aangepaste wetsvoorstel van januari 2025, dat nog uitging van een gedifferentieerde benadering, waarbij voor sommige zorg- of leveringsvormen geen plek is voor winstuitkering en voor andere vormen onder voorwaarden wel. 

Het meest opmerkelijke aan het voorstel is dat het kabinet het uitkeren van winst mogelijk wil maken voor álle zorgaanbieders in combinatie met een maximum percentage. Wij vragen ons met name af of deze voorwaarden de toets van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) zullen doorstaan. Volgens het HvJEU moeten beperkingen van vrijheden (zoals de vrijheid van eigendom, vestiging en kapitaal) noodzakelijk, geschikt en evenredig zijn. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de nationale autoriteiten deze beperkingen op een coherente en consistente wijze toepassen. Dit kwam ook aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025 in de zaak van Radiology Holland (zie ook onderdeel 1). We zijn dan ook benieuwd naar (onder meer) het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op dit punt.  

In het verlengde hiervan vragen wij ons ook af hoe de definitie van ‘zorgaanbieder’ als normadressaat in de nota van wijziging exact komt te luiden, meer specifiek of in dat verband wordt aangesloten bij de huidige definitie in de Wmg. Dat zou onder meer betekenen dat ook aanbieders die geen Zvw- of Wlz-zorg verlenen rekening moeten gaan houden met (strengere) voorwaarden voor het uitkeren van winst, náást aanbieders van Zvw- of Wlz-zorg zonder verzekerde aanspraak.

Tot slot vinden wij het niet vreemd dat het kabinet een gelijk speelveld wenst te creëren voor hoofd- en onderaannemers. Veel zelfstandige behandelcentra (voor medisch specialistische zorg) hanteren immers een hoofd- en onderaannemingsconstructie met een stichting (als hoofdaannemer) die geen winst mag uitkeren en een besloten vennootschap (als onderaannemer) waaraan de feitelijke zorgverlening wordt uitbesteed en wél winst mag uitkeren. Een constructie als voornoemd brengt niet alleen dubbele lasten met zich mee (denk aan (mogelijk) twee vergunningen, twee besturen, twee interne toezichthouders, etc.), maar geeft ook te denken over de houdbaarheid van het onderscheid tussen hoofd- en onderaannemers. 

Wij volgen de ontwikkelingen op de voet. Wordt vervolgd! 

Meer weten over de Wibz?

Tijdens onze digitale ochtendsessie 'Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders' op dinsdag 14 juli 2026 gaan onze specialisten dieper in op de laatste stand van zaken, de voorgestelde aanscherpingen en de implicaties voor zorg- en jeugdhulpaanbieders. Er is volop gelegenheid om vragen te stellen en met onze experts in gesprek te gaan. Meld u nu aan voor deze digitale ochtendsessie.

Aanmelden

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief