De Franchisewet: franchisegevers let op!

De Franchisewet: franchisegevers let op!

De Franchisewet is per 1 januari 2021 in werking getreden. Hierin is ook een specifieke regeling over het non-concurrentiebeding opgenomen. De verwachting is dan ook  dat de rechtspraak over concurrentiebedingen in franchiseovereenkomsten op bepaalde punten anders zal uitpakken dan voorheen. Dit neemt niet weg dat sommige in de rechtspraak ontwikkelde lijnen naar waarschijnlijkheid wel gehandhaafd zullen blijven. Zo ook de in de rechtspraak ontwikkelde lijn dat als een franchiseovereenkomst tot een einde komt door het handelen of nalaten van de franchisegever, de franchisenemer een argument heeft om de nakoming van een in de franchiseovereenkomst vastgelegd concurrentiebeding te dwarsbomen. Deze lijn wordt onder andere bevestigd in het arrest van het hof Amsterdam van 11 februari 2020.

De zaak

Partijen bij dit geschil waren een franchisegever en een franchisenemer ‘Orezis’. Orezis exploiteerde op basis van de franchiseformule een afslanksalon. Allereerst volgt uit de franchiseovereenkomst dat de franchisegever aan franchisenemer Orezis toestemming verleent om promotieacties op te zetten voor haar eigen vestiging. Landelijke promotie van de franchiseformule is op grond van de franchiseovereenkomst uitsluitend aan de franchisegever voorbehouden. Tevens is er in de franchiseovereenkomst een concurrentiebeding opgenomen: “Ter bescherming van de door Franchisegever aan de Franchisenemer overgedragen knowhow verplicht de Franchisenemer zich te onthouden van het produceren, kopen, verkopen, doorverkopen, leveren respectievelijk verrichten van goederen of diensten die met de goederen of diensten van de Franchisegever dan wel de goederen of diensten waarop de franchiseovereenkomst betrekking heeft, te concurreren in zowel Nederland als het buitenland tot twee jaar na beëindiging van de overeenkomst.”

Orezis maakte ter promotie van haar vestiging gebruik van het online platform Social Deal. De franchisegever was van mening dat, omdat Social Deal een landelijk bereik heeft, adverteren via dit platform uitdrukkelijk aan haar voorbehouden was. De franchisegever liet de promotieacties van Orezis offline halen en verbood Orezis gebruik te maken van Social Deal. Orezis was het hier niet mee eens en stelde zich op het standpunt dat zij Social Deal enkel ingezet had ter promotie van haar eigen vestiging en dat dit toegestaan was op basis van de franchiseovereenkomst. Dat Social Deal een landelijk bereik had, deed daar in haar ogen niets aan af. Orezis was van mening dat de franchisegever door het opleggen van het verbod in strijd handelde met hetgeen partijen hadden afgesproken in de franchiseovereenkomst en vroeg de rechter de franchiseovereenkomst te ontbinden en het concurrentiebeding te schorsen. Zij wilde namelijk onder haar eigen naam de afslanksalon voortzetten.

Het oordeel

Het hof oordeelde dat de promotieactiviteiten van Orezis binnen hetgeen in de franchiseovereenkomst was overeengekomen vielen. De activiteiten waren derhalve toegestaan. Het hof besloot dat de franchisegever door het opleggen van het verbod tekort was geschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst en dat dit reden was om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. Ten aanzien van het verzoek tot schorsing van het concurrentiebeding stelde het hof voorop dat ontbinding van de franchiseovereenkomst, de franchisenemer niet automatisch bevrijdt van de uit het concurrentiebeding voortvloeiende verbintenissen, maar dat Orezis gegeven de omstandigheden van het geval in redelijkheid niet aan het concurrentiebeding gehouden kon worden. Hierbij achtte het hof relevant dat vaststond dat de ontbinding van de franchiseovereenkomst terug te voeren was op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van de franchisegever. Het hof besloot op basis van het voorgaande tot schorsing van het concurrentiebeding.

Tot slot

Onder de Franchisewet zal de zojuist besproken lijn in de rechtspraak naar verwachting worden voortgezet. Voor franchisegevers zal dus het risico blijven bestaan dat een vordering tot nakoming van een concurrentiebeding wordt gefrustreerd indien beëindiging van de franchiseovereenkomst het gevolg is van hun eigen handelen of nalaten.

 

Let op: het concurrentiebeding zoals geformuleerd in de franchiseovereenkomst in de hierboven besproken zaak zou onder de huidige Franchisewet nietig zijn. Op basis van de Franchisewet mag een concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst slechts overeengekomen worden voor één jaar na beëindiging van de franchiseovereenkomst en mag de geografische reikwijdte van een concurrentiebeding niet ruimer zijn dan het gebied waarbinnen de franchisenemer de formule op basis van de franchiseovereenkomst heeft geëxploiteerd.