Nieuws

Update rechtspraak Gezondheidsrecht maart 2026

Gepubliceerd op 7 apr 2026

Update rechtspraak Gezondheidsrecht maart 2026

Deze update omvat een selectie van uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht die in de maand maart op www.rechtspraak.nl zijn gepubliceerd. Elke uitspraak is voorzien van een inhoudsindicatie en een link naar de volledige uitspraak.

Gerechtshof Amsterdam 10 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:629

Publicatiedatum: 13 maart 2026

Het Hof oordeelt in kort geding dat een zorginstelling in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om cliënt over te plaatsen naar andere locatie. Er is niet onzorgvuldig gehandeld door de zorginstelling en geen strijd met de Wlz of de Wkkgz.

Raad van State 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1577

Publicatiedatum: 18 maart 2026

Bij besluit van 23 december 2020 heeft het bestuur van de stichting Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven de aanvraag van de coöperatie om als leerbedrijf erkend te worden afgewezen. De stichting vindt dat werkzaamheden die behoren tot de werkprocessen van het beroep waarvoor de student wordt opgeleid - het bieden van kraamzorg - niet zoals vereist binnen de eigen arbeidsorganisatie plaats. De rechtbank vernietigt dit besluit en de Afdeling bevestigd de uitspraak van de rechtbank, omdat uit het opleidingsplan blijkt dat de coöperatie in beide vormen van kraamzorgverlening ofwel direct de kraamzorgverlener is, ofwel via de overeenkomst van opdracht verantwoordelijk is voor de begeleiding van de student bij de kraamzorgverlening.

Rechtbank Limburg 2 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2111

Publicatiedatum: 16 maart 2026

De rechtbank oordeelt dat het Uwv de rapporten van de verzekeringsartsen uit 2008 niet had mogen vernietigen. Sinds 1 januari 2020 geldt op grond van artikel 7:454 lid 3 BW een bewaartermijn van twintig jaar voor medische dossiers, welke verlenging onmiddellijke werking heeft en dus ook ziet op dossiers waarvan de eerdere termijn van vijftien jaar nog niet was verstreken. De door vernietiging ontstane onzekerheid komt voor rekening en risico van het Uwv, temeer nu sprake is van een groot en niet zonder meer verklaarbaar verschil tussen de FML uit 2008 en die per 1 januari 2010. Het Uwv mocht daarom niet concluderen dat geen sprake was van nova en moet een nieuw besluit nemen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1779

Publicatiedatum: 20 maart 2026

Verzoekster verzocht de IGJ om een spoedprocedure bij het RTG voor vier tuchtklachten, nadat het RTG had aangegeven dat alleen de IGJ daartoe bevoegd is op grond van artikel 65 lid 6 Wet BIG. De IGJ wees het verzoek af, waarna verzoekster bezwaar maakte en een voorlopige voorziening vroeg. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt de rechtbank dat de beslissing van de IGJ om geen (spoed) tuchtprocedure te starten geen besluit is in de zin van de Awb. De bestuursrechter is daarom onbevoegd.

Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:461

Publicatiedatum: 20 maart 2023

Verplichte toediening testosteronverlagende medicatie als laatste optie om seksueel grensoverschrijdend gedrag als gevolg stoornis te voorkomen en ter vermijding alternatief van verblijf op eigen kamer met zeer beperkte contacten is een gerechtvaardigde maatregel in het licht van artikel 8 EVRM. De maatregel strekt  ter bescherming van de veiligheid van anderen en ter bescherming van de betrokkene zelf tegen ernstig nadeel als gevolg van zijn stoornis. De Wvggz biedt voor het toedienen van deze medicatie in het kader van medische behandeling een wettelijke grondslag. Voor het verplicht toedienen van dergelijke medicatie gelden de eisen van terughoudendheid die bij verplichte medicatie steeds in acht moeten worden genomen. Daarbij moeten ook alle effecten van de medicatie in de beschouwing worden betrokken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het toedienen van testosteronverlagende medicatie medisch noodzakelijk is om de uitzichtloze situatie van betrokkene te doorbreken zonder dat daarbij gevaar voor anderen ontstaat, waardoor de klacht bij de Hoge Raad niet slaagt.

Rechtbank Amsterdam 7 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1652

Publicatiedatum: 19 maart 2026

Eiser eist nakoming van het non-concurrentiebeding en betaling van de boete ter overtreding daarvan. Er waren aanwijzingen dat gedaagde het plan heeft gehad bij die concurrent te gaan werken. Dat is onvoldoende om vast te stellen dat gedaagde inderdaad werkzaamheden bij die concurrerende tandartspraktijk heeft uitgevoerd. Ook de registratie in Vektis, waarbij gedaagde wordt benoemd als zorgverlener in de concurrerende onderneming verandert dit oordeel niet. Niet is gebleken dat gedaagde gewerkt heeft voor de concurrerend tandartspraktijk in strijd met non-concurrentiebeding heeft gehandeld.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief