Nieuws
RvB-besluit tot beëindiging cliëntenraadlidmaatschap geen besluit in de zin van de Awb
Gepubliceerd op 18 mei 2026
Onze mensen
In een recente uitspraak boog de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich over de vraag of een brief van de raad van bestuur van een academisch ziekenhuis kwalificeert als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In die brief werd in oktober 2022 het lidmaatschap van een cliëntenraadslid per direct beëindigd door intrekking van haar benoeming.
Wat was er aan de hand?
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat wél sprake was van een besluit. Volgens de rechtbank was de beëindiging van het lidmaatschap gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag, namelijk de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz (2018)). Specifiek artikel 3 Wmcz, in geval de bevoegdheid werd ontleend uit de medezeggenschapsregeling, óf artikel 5 Wmcz, in geval de bevoegdheid werd ontleend uit het huishoudelijk reglement.
De rechtbank oordeelde dat daarmee de beslissing een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb was, waartegen beroep openstaat en bezwaar kon worden gemaakt. Het bezwaar wat het oud-cliëntenraadslid tegen de beëindiging van het lidmaatschap had gemaakt was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De raad van bestuur gaat hiertegen in beroep en de Afdeling komt tot een ander oordeel.
Geen publiekrechtelijke grondslag
Uitgangspunt is dat alleen sprake is van een besluit als een bestuursorgaan publiekrechtelijk handelt (artikel 1:3 Awb). Dat vereist dat de bevoegdheid tot het verrichten van de handeling berust op een publiekrechtelijke grondslag, daarvoor is een specifieke wettelijke bepaling vereist. Volgens de Afdeling bieden noch artikel 3, noch artikel 5 van de Wmcz een dergelijke grondslag.
- Artikel 3, tweede lid Wmcz, verplicht weliswaar tot het vaststellen van een medezeggenschapsregeling, maar kent de raad van bestuur geen regelgevende bevoegdheid toe. De medezeggenschapsregeling zelf bevat samenwerkingsafspraken tussen instelling en cliëntenraad en is geen wettelijk voorschrift voor (bestuurs)bevoegdheden.
- Artikel 5, eerste lid Wmcz, bepaalt dat de cliëntenraad een huishoudelijk reglement opstelt voor zijn interne werkwijze. Dit reglement heeft daarmee een intern karakter en kan geen basis vormen voor het toekennen van de bevoegdheid om regels vast te stellen door de raad van bestuur.
Gevolg: geen besluit, geen bestuursrechtelijke route
Omdat een publiekrechtelijke grondslag ontbreekt, is geen sprake van een besluit in de zin van de Awb. Van een uitzonderingsgeval waarin een beslissing zonder wettelijke grondslag toch als besluit moet worden aangemerkt, is volgens de Afdeling evenmin sprake. Tegen een besluit tot intrekking van het lidmaatschap van de cliëntenraad door de raad van bestuur van een academisch ziekenhuis staat aldus geen bezwaar of beroep open. Voor het voormalige cliëntenraadslid van het ziekenhuis betekent dit dat zij na meer dan drie jaar feitelijk weer bij het beginpunt is beland.
Onze mensen
Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.