Nieuws

Update rechtspraak Gezondheidsrecht december 2025

Gepubliceerd op 7 jan 2026

Update rechtspraak Gezondheidsrecht december 2025

Deze update omvat een selectie van uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht die in de maand december op www.rechtspraak.nl zijn gepubliceerd. Elke uitspraak is voorzien van een inhoudsindicatie en een link naar de volledige uitspraak.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6955

Publicatiedatum: 16 december 2025

Procedure tegen bewindvoerder als bewindvoerder van onderbewindgestelde, maar ook persoonlijk. Een zorgaanbieder had een zorgovereenkomst gesloten met onderbewindgestelde, zonder instemming van de bewindvoerder. Omdat toestemming van de bewindvoerder vereist is (artikel 1:438 lid 2 BW), is de overeenkomst nietig en bindt zij het bewind niet. De zorgaanbieder kan zich niet beroepen op bescherming te goeder trouw, nu het bewind openbaar is. Een later geplaatste handtekening van de bewindvoerder levert geen bekrachtiging achteraf op. De ontbindende voorwaarde (toekenning van pgb) was bovendien vervuld, zodat de overeenkomst hoe dan ook ten einde was gekomen. De bewindvoerder is persoonlijk niet aansprakelijk voor het niet voeren van bezwaar tegen de pgb-afwijzing, omdat er geen onrechtmatigheid of causaal verband is, dus de vorderingen worden afgewezen.

Rechtbank Amsterdam 20 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5230

Publicatiedatum: 11 december 2025

Vordering tot betaling van factuur geneeskundige behandeling. In de overeenkomst tussen een zorgaanbieder en een patiënt is sprake van een niet transparant en oneerlijk prijsbeding, nu het beding tevens inhoudt dat de zogenaamde coulanceregeling, dat de eigen bijdrage van de patiënt aan de zorgverzekeraar door de zorginstelling wordt betaald, vervalt als niet binnen vier weken wordt betaald. Na vier weken is de patiënt dan aansprakelijk is voor het totale factuurbedrag. Het prijsbeding bindt de consument niet en daarom kan de overeenkomst niet voortbestaan. Daarvan ondervindt de zorginstelling geen uiterst nadelige gevolgen, waardoor de vordering tot betaling wordt afgewezen.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:679

Publicatiedatum: 22 december 2025

Op 14 juli 2025 heeft de NZa prestaties en bijbehorende tarieven voor de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg vastgesteld voor het jaar 2026 (tariefbeschikkingen 2026). De belangenvereniging voor ambulante ggz-instellingen voor volwassenen, kinderen en jeugdigen verzoekt om schorsing van de tarieven voor de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg voor het jaar 2026, omdat de NZa volgens de zorgaanbieders de tarieven voor 2026 7,1% te laag heeft vastgesteld. Dat komt volgens de zorgaanbieders doordat de NZa bij de vaststelling van de tarieven onvoldoende rekening heeft gehouden met de loonkostenontwikkelingen in de ggz. De tarieven zijn daardoor volgens de zorgaanbieders niet kostendekkend. De voorzieningenrechter is het met de NZa eens dat het door de zorgaanbieders overgelegde rapport fouten en onjuiste aannames bevat en ziet in het betoog van de zorgaanbieders daarom geen aanleiding om de tariefbeschikking 2026 te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:683

Publicatiedatum: 19 december 2025

Op 2 juli 2025 heeft de NZa prestaties en bijbehorende tarieven voor de orthodontische - en de tandheelkundige zorg vastgesteld voor het jaar 2026 (tariefbeschikkingen 2026). De beroepsverenigingen voor de orthodontische - en de tandheelkundige zorg hebben tegen die tarieven bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat zij zich op het standpunt stellen dat de tariefbeschikkingen 2026 de rechtmatigheidstoets niet kunnen doorstaan. De beroepsverenigingen stellen zich op het standpunt dat de totstandkoming van de tarieven gebrekkig is en de tarieven de redelijke kosten van zorg niet dekken. Net als de huisartsen aanvoerden op 18 november 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:606, huisartsenuitspraak), leidt de toerekening van de normatieve arbeidscomponent (NAC) ook voor de orthodontisten en de tandartsen tot een scheef resultaat en is het aan de NAC ten grondslag gelegde functiewaarderingsonderzoek niet voldoende inzichtelijk. Verder voeren de beroepsverenigingen aan dat geen rekening is gehouden met vergoeding van de goodwill en dat de NZa gemiddelden voor de praktijkkosten en de NAC inconsistent en onjuist toepast. Zij vorderen dat de nieuwe tarieven worden geschorst en dat de huidige tarieven voor het jaar 2025 van toepassing zullen blijven, vermeerderd met de gebruikelijke indexering. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de tariefbeschikkingen 2026 te schorsen en de gevraagde voorzieningen te treffen. Er is geen sprake van een scheef resultaat door de normatieve toerekening van de NAC, de goodwill is terecht niet meegenomen in de berekeningen.

Hoge Raad 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1887

Publicatiedatum: 12 december 2025

Op de medische verklaring (art. 5:8 Wvggz), afgegeven in het kader van het verlenen van een Wvggz zorgmachtiging ontbrak de naam van de psychiater. De psychiater had alleen een handtekening gezet. Op basis deze medische verklaring, zonder naam van de psychiater, had de rechtbank de zorgmachtiging niet mogen verlenen.

Rechtbank Oost-Brabant 19 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8381

Publicatiedatum: 19 december 2025

Eiser is arts en aan haar is een boete in verband met overtredingen van artikel 68, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet opgelegd vanwege verstrekking van ivermectine en hydroxychloroquine voor preventie of behandeling van Covid-19. De arts gaat in beroep. De rechtbank oordeelt dat de boete niet in strijd is met rechtszekerheidsbeginsel (artikel 7 van het EVRM), want artikel 68, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet is voldoende duidelijk om over te gaan tot beboeting. Daarnaast is de overtreding buiten redelijke twijfel komen vast te staan. De rechtbank oordeelt wel tot een matiging van de boete vanwege overschrijding redelijke termijn (artikel 6 van het EVRM). Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid van de arts. Het beroep is gegrond en het bestreden boetebesluit wordt herroepen wat betreft de hoogte van de boete.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief