Nieuws

Q&A Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg

Gepubliceerd op 1 dec 2025

Q&A Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg

Op 1 januari 2026 treedt de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) in werking. Deze wet beoogt de beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van de jeugdzorg te verbeteren. Een belangrijk onderdeel van de Wvbj is de verplichting voor jeugdhulpaanbieders om een interne toezichthouder aan te stellen.

In deze Q&A gaan we in op de belangrijkste aspecten van de wet en gaan we in op de gevolgen voor jeugdhulpaanbieders.

De wet komt voort uit afspraken in de Hervormingsagenda Jeugd (2023) en moet zorgen dat kwetsbare jongeren en gezinnen tijdig passende hulp krijgen. Sinds de decentralisatie in 2015 ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten, maar veel gemeenten zijn te klein om specialistische jeugdzorg goed te organiseren. Regionale samenwerking blijft achter, wat leidt tot lange wachtlijsten en financiële problemen bij aanbieders. De beoogt regionale samenwerking en toezicht te versterken, zonder de gemeentelijke verantwoordelijkheid weg te nemen. Het systeem verschuift van lokaal naar regionaal bestuur en van zelfregulering naar meer centrale controle.

De wet omvat de volgende kernelementen:

  • verplichte regionale samenwerking en inkoop van (hoog)specialistische jeugdhulp;
  • verplichte regiovisie;
  • vereisten aan de bestuursstructuur voor bepaalde jeugdhulpaanbieders, waaronder een verplichte interne toezichthouder;
  • transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording;
  • rol voor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

Deze onderdelen worden bij de volgende vragen nader toegelicht.

Verder leidt de wet tot wijziging van de Jeugdwet (Jw), de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Gemeentewet (Gw), de Verzamelwet VWS 2020, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Wet op de Economische Delicten.

Verplichte regionale samenwerking (Jeugdregio)

Met de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is samenwerking tussen gemeenten niet langer vrijblijvend, maar verplicht. Gemeenten moeten zich organiseren in Jeugdregio’s via een gemeenschappelijke regeling. Deze Jeugdregio’s krijgen een centrale rol in:

  • inkoop en contractering van specialistische jeugdhulp en gecertificeerde instellingen;
  • administratieve taken en monitoring om uniformiteit en minder regeldruk te realiseren;
  • bovenregionale afstemming voor schaarse specialistische zorg;
  • expertteams voor complexe problematiek.

De regio-indeling en verplichte vormen van regionale inkoop worden vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Landelijke inkoop blijft bestaan. Als gemeenten daarvan afwijken, moet de Jeugdregio alsnog regionaal inkopen.

Regiovisie en inspraak van jeugdigen

Naast samenwerking moeten gemeenten een regiovisie opstellen: een plan waarin zij beschrijven hoe zij samen zorgen voor voldoende jeugdhulp en kinderbeschermingsmaatregelen. Deze visie wordt onderdeel van het gemeentelijke beleidsplan en moet onder meer bevatten:

  • inspraakmogelijkheden voor jeugdigen en hun vertegenwoordigers;
  • afstemming met aanbieders over schaarste en wachttijden;
  • koppeling tussen regionale en landelijke inkoop.

De regiovisie moet concreet en afgestemd zijn tussen gemeenten en partners, zodat deze vertaald kan worden naar de organisatie van specialistische jeugdhulp. Jeugdigen moeten vanaf het begin betrokken worden, bijvoorbeeld via advies of evaluatie.

Vanaf 1 januari 2026 gelden nieuwe regels voor de bestuursstructuur van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in de Jeugdwet en hebben als doel de kwaliteit en het toezicht binnen de jeugdhulp te versterken.

Voor wie geldt de verplichting?

De verplichting om een onafhankelijke interne toezichthouder (raad van toezicht of raad van commissarissen) in te stellen geldt voor:

  • jeugdhulpaanbieders die jeugdhulp met verblijf verlenen met meer dan 10 jeugdhulpverleners;
  • jeugdhulpaanbieders die ambulante jeugdhulp verlenen met meer dan 25 jeugdhulpverleners;
  • alle gecertificeerde instellingen, ongeacht omvang.

Er zijn enkele uitzonderingen, zoals aanbieders die uitsluitend vervoer verzorgen en gemeenten die zelf jeugdhulp verlenen.

Belangrijkste eisen

Aan de volgende belangrijkste eisen moet worden voldaan:

  • de interne toezichthouder moet bestaan uit minimaal drie onafhankelijke leden;
  • een toezichthouder mag geen dubbelfuncties hebben met het bestuur of politieke functies in het jeugddomein;
  • de interne toezichthouder moet ten minste één lid met ervaringsdeskundigheid bevatten (bijvoorbeeld een jeugdige, ouder of professional);
  • de onafhankelijkheid van de interne toezichthouder moet gewaarborgd worden; geen familie-, zakelijke of financiële belangen met de organisatie.

Daarnaast moeten taken, bevoegdheden en een conflictregeling schriftelijk worden vastgelegd in de statuten. Deze statuten moeten vóór 1 januari 2026 zijn aangepast. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ziet toe op naleving.

Aanvullende regels

Toezichthouders worden benoemd voor maximaal vier jaar, met één herbenoeming (maximaal acht jaar). Ook moet een profielschets worden opgesteld die rekening houdt met de aard van de instelling en gewenste deskundigheid.

De nieuwe regels sluiten grotendeels aan bij de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza), maar zijn ondergebracht in de Jeugdwet. Voor combinatie-instellingen die al onder de Wtza vallen, geldt dat zij moeten controleren of hun interne toezicht ook voldoet aan de aanvullende eisen van de Jeugdwet.

Transparante financiële bedrijfsvoering

Jeugdhulpaanbieders (behalve solistisch werkende professionals) en gecertificeerde instellingen die niet onder artikel 40a Wmg vallen, moeten schriftelijk vastleggen hoe taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden rondom de financiële bedrijfsvoering zijn verdeeld. Daarbij is het verplicht om duidelijk onderscheid te maken tussen financiële activiteiten voor jeugdhulpverlening, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en overige zakelijke activiteiten. Daarnaast gelden specifieke regels voor het aangaan en verantwoorden van financiële derivaten. Deze transparantie zorgt ervoor dat belanghebbenden, toezichthouders en andere partijen beter inzicht krijgen in de financiële positie en werkwijze van de organisatie. Zo worden risico’s op onzorgvuldig handelen, kwaliteitsverlies en integriteitsproblemen tijdig zichtbaar en beheersbaar.

Openbare jaarverantwoording

Vanaf boekjaar 2026 moeten alle jeugdhulpaanbieders (behalve solistisch werkenden) en gecertificeerde instellingen jaarlijks een openbare jaarverantwoording opstellen en vóór 1 juni 2027 publiceren via DigiMV. Deze verantwoording bevat:

  • een financiële verantwoording volgens voorgeschreven modellen;
  • aanvullende informatie, zoals een accountantsverklaring en bestuursverslag (afhankelijk van categorie);
  • overige gegevens over de bedrijfsvoering.

De jaarverantwoording wordt gepubliceerd op www.jaarverantwoordingzorg.nl. In het kader van de jaarverantwoording wordt onderscheid gemaakt tussen micro, kleine, middelgrote en grote organisaties om de regeldruk proportioneel te houden. Kleinere aanbieders hoeven geen verplichte accountantscontrole uit te voeren, maar kunnen dit vrijwillig doen.

Verslag intern toezicht

Indien intern toezicht verplicht is, moet een separaat verslag van de interne toezichthouder worden toegevoegd. Hierin legt de toezichthouder maatschappelijke verantwoording af over het eigen functioneren.

Aansluiting bij Wmg

De regels sluiten zoveel mogelijk aan bij de Wmg, maar zijn opgenomen in de Jeugdwet om dubbele verantwoording te voorkomen. Voor combinatie-instellingen geldt dat zij moeten nagaan welke regeling van toepassing is.

De NZa krijgt een centrale rol in het toezicht op jeugdzorg. Tot nu toe was toezicht versnipperd over gemeenten en inspecties, waardoor risico’s op tekorten en financiële problemen vaak te laat werden gesignaleerd. Door één landelijke toezichthouder ontstaat meer samenhang en inzicht, waardoor continuïteit en kwaliteit van jeugdzorg beter gewaarborgd kunnen worden.

Wat gaat de NZa doen?

  • De NZa zal zich bezig houden met:
  • stelselonderzoek: periodiek in kaart brengen van risico’s en knelpunten in vraag, aanbod, kosten en contractering.
  • vroegsignalering: tijdig signaleren van dreigende tekorten in (specialistische) jeugdzorg en hierover adviseren. de NZa grijpt niet zelf in, maar informeert gemeenten en zo nodig de minister.
  • financieel toezicht: Controle op transparante bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording. De NZa kan aanwijzingen geven, dwangsommen opleggen en als uiterste middel een boete.

Informatie en meldpunt

Gemeenten, jeugdregio’s en aanbieders moeten gegevens aanleveren. Daarnaast breidt de NZa haar meldpunt uit voor signalen over beschikbaarheidsproblemen.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief