Nieuws
Rechtbank matigt NZa-boete voor zorgaanbieder
Gepubliceerd op 25 feb 2026
Onze mensen
Op 23 februari jl. werd de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam gepubliceerd over een boete van 420.000 euro, die in 2023 door de NZa is opgelegd aan een zelfstandig behandelcentrum (zbc) voor oogheelkundige zorg. De boete is opgelegd vanwege onterecht gedeclareerde zorg en een foutieve administratie. De rechtbank gaat voorbij aan alle beroepsgronden, op één na: de rechtbank matigt de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Overtredingen Wmg en Regeling medisch specialistische zorg
De door de NZa geconstateerde overtredingen betreffen onder meer het onterecht openen van parallelle zorgtrajecten, onjuiste registratie van polikliniekbezoeken en een administratie die niet aansloot op de feitelijk geleverde zorg. Daarmee zijn de artikelen 35 en 36 Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en, meer specifiek, de voorschriften van de Regeling medisch-specialistische zorg overtreden.
Rechtbank: boete van 420K passend en geboden
De rechtbank oordeelt dat de NZa de overtredingen terecht heeft vastgesteld en dat er geen sprake is van schending van de eis van functiescheiding, het verbod op vooringenomenheid, het zorgvuldigheids- en verdedigingsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir. Ook slagen de gronden over een onvolledig dossier, het niet deskundig zijn en onzorgvuldige betrokkenheid van de medisch adviseurs niet. De opgelegde boete is volgens de rechtbank ook niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank benadrukt dat sprake is van structurele en herhaalde overtredingen (ondanks de eerdere aanwijzing van de NZa dat de overtredingen moesten stoppen) over een aanzienlijke periode en oordeelt dat de boete daarom passend en noodzakelijk is.
Overschrijding redelijke termijn: matiging boete
Eén beroepsgrond slaagt wel. De rechtbank acht de redelijke termijn van art. 6 EVRM overschreden. In bestuurlijke boetezaken geldt dat de redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen. Vanaf het moment dat het toezichtrapport op 8 september 2022 tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank (3 februari 2026) is een periode van drie jaar en ruim vier maanden verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden met meer dan twaalf maanden. Van bijzondere omstandigheden is volgens de rechtbank geen sprake, ook niet omdat -in dit geval- het zbc in de ogen van de NZa (onder meer) herhaaldelijk heeft verzocht om verlenging van termijnen en uitstel. De rechtbank vindt niet dat de opstelling van het zbc zodanig is geweest dat hierdoor de voortgang van de procedure is gefrustreerd.
Uit vaste rechtspraak van het CBb volgt dat in gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden naar bevind van zaken wordt gehandeld en dat is doorgaans 15% matiging van de totale boete. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de boete van € 420.000 te matigen met 15% (€ 63.000) tot een bedrag van € 357.000.
Onze mensen
Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.