Nieuws

Horen van leden van de onderzoekscommissie niet toegestaan

Gepubliceerd op 3 jun 2026

Horen van leden van de onderzoekscommissie niet toegestaan

Op 28 mei jl. deed de rechtbank Den Haag uitspraak naar aanleiding van een verzoek om diverse getuigen te horen. Deze getuigen zijn werkzaam als zorgverlener bij een zorginstelling en waren betrokken bij het niet-natuurlijk overlijden van een man in die zorginstelling. Het verzoek zag ook op het horen van leden van de onderzoekscommissie die onderzoek deed naar het niet-natuurlijk overlijden van de man. De rechtbank wees het verzoek toe, maar met uitzondering van het verzoek tot het horen van de leden van de onderzoekscommissie.

Wat is er gebeurd?

De reden voor het verzoek aan de rechtbank om een voorlopige bewijsverrichting inhoudende het horen van diverse getuigen, is het op niet-natuurlijke wijze overlijden van een man in een zorginstelling. Volgens de zoon van de overleden man is er sprake geweest van onzorgvuldig handelen; hij wil de zorginstelling aansprakelijk stellen. Het Openbaar Ministerie doet strafrechtelijk onderzoek naar het niet-natuurlijk overlijden van de man. 

De zorginstelling heeft zich tegen toewijzing van het verzoek tot een getuigenverhoor verzet en heeft daartoe diverse argumenten aangevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Uitgangspunt

De rechtbank stelde voorop dat een verzoek om een getuigenverhoor in beginsel behoort te worden toegewezen. Dat is alleen anders indien:

  1. de verlangde informatie onvoldoende bepaald is;
  2. er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
  3. het verzoek in strijd is met de goede procesorde;
  4. er sprake is van misbruik van bevoegdheid;
  5. er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

Getuigenverhoor nodig?

In het licht van dit wettelijk kader heeft de rechtbank eerst beoordeeld of de zoon een getuigenverhoor nodig heeft om aan de nodige informatie te komen. Volgens de rechtbank is dat zo. Het verweer dat het strafrechtelijk dossier alle informatie zou bevatten wat een getuigenverhoor overbodig zou maken, verwierp de rechtbank. Het stond namelijk niet vast dat de zoon over het dossier zou kunnen beschikken. Dat de zoon ook overigens geen belang zou hebben bij een getuigenverhoor, zoals de zorginstelling betoogde, volgde de rechtbank niet. Het is in dit stadium niet relevant of een aansprakelijkstelling succesvol zal zijn en ook niet of al dan niet kan worden achterhaald wie de zuurstofslang op het infuus heeft aangesloten, hetgeen de oorzaak is geweest van het overlijden van de man. 

Evenmin is sprake van misbruik van bevoegdheid, zoals was betoogd. Hoewel de rechtbank goed begrijpt dat het voor de zorgmedewerkers belastend zal kunnen zijn nogmaals een verklaring te moeten afleggen over feiten en omstandigheden rondom het overlijden van de man als ze dat al eerder bij de politie hebben moeten doen, weegt het belang van de zoon bij informatievergaring zwaarder. 

Leden onderzoekscommissie; een verhaal apart

De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of ook de leden van de onderzoekscommissie die onderzoek heeft gedaan naar het overlijden, als getuige gehoord kunnen worden. Volgens de rechtbank kan dat niet, omdat gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. De rechtbank heeft in het licht van dat oordeel uitgelegd dat leden van de onderzoekscommissie uit hoofde van hun rol over informatie beschikken die in het incidentenregister staat. Op die informatie heeft de zoon evenwel geen recht. Op grond van artikel 10 lid 3 Wkkgz zijn zorgaanbieders weliswaar verplicht om een cliënt of diens nabestaanden te informeren over incidenten in de zorg, maar hierbij gaat het alleen om informatie over het incident zelf en geldt dit recht op informatie niet voor gegevens uit het interne incidentenregister van de zorgaanbieder, zoals analyserapporten die de diepere oorzaken van incidenten onderzoeken. De rechtbank wees op Kamerstukken I 2013/14, 32402, I, p. 32-33. Deze analyses horen bij de kwaliteitsbewaking en het veilig-melden-systeem, waarbij incidenten in de zorg worden geanalyseerd, en dienen te worden afgeschermd om de meldingsbereidheid van dit systeem te vergroten. Het horen van twee leden van de onderzoekcommissie die betrokken zijn geweest bij het opstellen van zo’n analyserapport ligt naar het oordeel van de rechtbank in het verlengde van inzage verlenen in informatie uit het incidentenregister. Het algemene belang dat deze informatie vanuit het oogpunt van meldingsbereidheid afgeschermd moet blijven verzet zich hiertegen en dus ook tegen het horen van de onderzoeksleden. 

Slotbeschouwing

Met deze uitspraak volgt de rechtbank de lijn van de Hoge Raad (HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:202), waarin hij oordeelde dat nabestaande niet kunnen beschikken over analyserapporten van incidenten of calamiteiten. Toch lijkt het laatste woord hierover nog niet gezegd indachtig de voorgestelde wijzing van de Wkkgz (Evaluatiewet Wkkgz) om aan nabestaanden voortaan en samenvatting van het calamiteitenrapport beschikbaar te stellen. Daartoe is voorgesteld artikel 10 Wkkgz te wijzigen. De consultatieronde sloot 10 juni vorig jaar. Een wetsvoorstel is nog niet ingediend. Wordt vervolgd.

Dit artikel is geschreven door Rolinka Wijne. Meer weten? Neem dan contact op.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief