Nieuws

Update rechtspraak Gezondheidsrecht juni 2026

Gepubliceerd op 2 jul 2026

Update rechtspraak Gezondheidsrecht juni 2026

Deze update omvat een selectie van uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht die in de maand juni op www.rechtspraak.nl zijn gepubliceerd. Elke uitspraak is voorzien van een inhoudsindicatie en een link naar de volledige uitspraak.

Rechtbank Noord-Holland 3 juni 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:6356

Publicatiedatum: 4 juni 2026

Toewijzing van vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie door de beëindiging van de begeleidings- en huurovereenkomst door een zorginstelling. De zorginstelling heeft zich onvoldoende heeft ingespannen om beëindiging van de overeenkomst te voorkomen.

Rechtbank Midden-Nederland 3 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3069

Publicatiedatum: 5 juni 2026

Geen ontruiming van de zorgwoning, want zorgverlener mocht de zorgovereenkomst niet opzeggen. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat er een voldoende zwaarwegende reden voor de opzegging moet zijn en dat de zorgverlener in de aanloop naar en bij de opzegging zorgvuldig moet handelen. In dit geval  waren er geen zwaarwegende reden op basis waarvan de zorginstelling de zorgovereenkomst op mocht zeggen en heeft zorgverlener niet zorgvuldig gehandeld door wel op te zeggen.

Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:180

Publicatiedatum: 24 juni 2026

 Dit geschil draait om de vergoeding voor kosten van voetzorg, in het bijzonder van steunzolen in het kader van een aanvullende verzekering. De zorgverzekeraar heeft de vrijheid om de vergoeding te beperken tot de kosten voor steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen of werkplaatsen. Er is daarom geen sprake van onrechtmatig handelen jegens andere zorgaanbieders en er is geen overeenkomst met deze zorgaanbieders die tot vergoeding verplicht.

 College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2026 ECLI:NL:CBB:2026:258

 Publicatiedatum: 16 juni 2026

Herziene tariefbeschikkingen voor de geestelijke gezondheidszorg en de forensische zorg over 2022, 2023 en 2024. En aantal zorgaanbieders komen op tegen een passage over de rechtsgevolgen van deze tariefbeschikkingen. In de passage staat dat die tariefbeschikking geen rechtsgevolgen heeft voor declaraties die voor de datum van inwerkingtreding van deze tariefbeschikking reeds zijn betaald en/of op overeenkomsten gesloten voor de datum van inwerkingtreding van deze tariefbeschikking tussen ziektekostenverzekeraars en zorgaanbieders die geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg leveren. Volgens de zorgaanbieders staat deze passage in de weg aan het verkrijgen van (na)betalingen volgens nieuwe tarieven en had de NZa deze niet mogen opnemen in de tariefbeschikkingen. Het College is van oordeel dat de passage een aan de tariefbeschikkingen verbonden voorschrift of beperking is, in de zin van artikel 50 van de Wmg. Daarom zijn zij van oordeel dat deze beperking onrechtmatig is en schrapt deze uit de tariefbeschikkingen.

Rechtbank Gelderland 23 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5079

Publicatiedatum: 30 juni 2026

In dit kort geding vordert een zelfstandig behandelcentrum een contracteerverplichting van een zorgverzekeraar. Het ZBC heeft in de jaren 2023, 2024 en 2025 tevergeefs pogingen gedaan om zorgovereenkomsten te sluiten met de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar heeft de aanvragen steeds afgewezen op grond van haar inkoopbeleid en omdat zij stelt voldoende zorg te hebben ingekocht bij andere zorgaanbieders. Het inkoopbeleid in kwestie houdt in dat de zorgverzekeraar in geval van invasieve ingrepen onder algehele anesthesie alleen met een ZBC contracteert als deze ingrepen uitsluitend plaatsvinden bij patiënten met een ASA 1 of 2 classificatie. Indien dergelijke ingrepen (ook) plaatsvinden bij ASA 3 patiënten wordt slechts gecontracteerd met zorgaanbieders in een ziekenhuissetting met een intensive care op locatie. Het ZBC opereert op hun eigen locatie ASA 3 patiënten en voldoet aldus niet aan de inkoopvoorwaarden. Bij het inkopen van zorg geldt het uitgangspunt van contractsvrijheid. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders zijn niet verplicht om met elkaar een zorgovereenkomst te sluiten. Zorgverzekeraars hebben dus te maken met zorgaanbieders die wel en die geen zorgovereenkomst met hen hebben gesloten. Zorgverzekeraars bepalen in hun polisvoorwaarden welke vergoeding hun verzekerden ontvangen voor zorg door niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Deze vergoeding mag niet zo laag zijn dat dit feitelijk een hinderpaal voor de verzekerden oplevert om zorg van niet-gecontracteerde zorgaanbieders af te nemen (artikel 13 lid 1 Zvw). Het stelsel van de wet brengt dus mee dat VGZ als zorgverzekeraar mag bepalen onder welke voorwaarden zij zorgovereenkomsten met zorgaanbieders wil sluiten. Ook is er geen sprake van een ‘hinderpaal’: de zorgverzekeraar vergoed 60-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief; het ZBC vergoed zelf het restant als coulanceregeling.  De vorderingen worden afgewezen.

Gerechtshof Den Haag 22 april 2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:2170

Publicatiedatum: 22 juni 2026

Een zorgverlener heeft geen zelfstandig verhaalsrecht terzake van kosten verleende (en niet verzekerde) palliatieve zorg aan een verzekerde. Het hof oordeelde dat geen sprake van was van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling op basis waarvan tot vergoeding zou moeten worden overgegaan.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2170

Rechtbank Den Haag 26 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17358

Publicatiedatum: 26 juni 2026

In dit kort geding beoogt de cliëntenraad te bewerkstelligen dat de IGJ wordt geboden om, met gebruikmaking van haar wettelijke bevoegdheden, de zorginstelling een schriftelijke aanwijzingen te geven. De cliëntenraad meent dat sprake is van overtredingen op grond van artikel 2 lid 1 Wkkgz, artikel 3 lid 1 Wkkgz en artikel 29 Wkggz. De cliëntenraad kan niet in zijn vordering worden ontvangen, omdat hij zijn vorderingen in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang aan de bestuursrechter ter beoordeling kan voorleggen.  Is een dergelijke procedure die voldoende rechtsbescherming biedt bij de bestuursrechter voorhanden, dan moet daarvan ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen van de civiele rechter en de bestuursrechter over eenzelfde kwestie gebruik gemaakt worden en is voor de civiele rechter geen taak weggelegd.

Rechtbank Noord-Nederland 2 juni 2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:2161

Publicatiedatum: 3 juni 2026

Schending van de meldplicht calamiteiten bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Uit artikel 4.1.8 lid 1 van de Jeugdwet volgt dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen onverwijld melding moeten doen bij de met het toezicht belaste ambtenaren van iedere calamiteit die zich voordoet bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, alsmede van geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Onder “geweld” in de zin van de Jeugdwet wordt mede verstaan seksueel geweld; aanwijzingen dat een achtjaar oud kind dat uit huis is geplaatst in een instelling dit is overkomen. De Raad erkent de (geschonden) meldplicht en gaat alsnog een melding doen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Rechtbank Noord-Nederland 29 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2158

Publicatiedatum: 3 juni 2026

Schending van de meldingsplicht bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bij ernstige veiligheidsincidenten in accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Vaststaat dat van de herhaalde ontvluchtingen én van het door de sprong uit het raam opgelopen letsel géén melding is gedaan bij de IGJ. Dit had, gelet op de ernst van het incident, het opgelopen lichamelijk letsel en het herhaaldelijk falen van de beveiliging in een gesloten setting, wél behoren te gebeuren, omdat dergelijke voorvallen kwalificeren als (ernstige) calamiteiten dan wel geweldsincidenten in de zorg die onder het wettelijk meldregime bij de IGJ vallen. Het uitblijven van een dergelijke melding wordt door de kinderrechter als een relevante omstandigheid betrokken bij de beoordeling van de veiligheid en de kwaliteit van de geboden hulpverlening. Door het ontbreken van onderzoek naar de wegloopincidenten ontbreekt ook het inzicht dat mogelijk de instelling kampt met een structureel ontoereikend toezicht wat een risico met zich brengt voor de veiligheid van kwetsbare jongeren die gesloten zijn geplaatst. De jeugdbeschermers van de GI hebben toegezegd de incidenten en ook het niet melden door de accommodatie en het eigen verzuim te melden, alsnog te melden bij de IGJ.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief