Nieuws
Het IKEA-arrest: tevens een les over de waarde van Beneluxmerken
Gepubliceerd op 22 sep 2026
Onze mensen
Op 8 september 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich uitgesproken over de verhouding tussen het merkenrecht en de vrijheid van meningsuiting. Aanleiding vormde de campagne ‘IKEA-plan – Immigratie Kan Echt Anders’ van de Belgische politieke partij Vlaams Belang. Bij die campagne werden niet alleen de naam IKEA, maar ook diverse visuele elementen die kenmerkend zijn voor IKEA gebruikt om een politiek programma over asiel- en immigratiebeleid onder de aandacht te brengen. Inter IKEA stelde daarop een merkinbreukvordering in.
De prejudiciële vraag die aan het Hof werd voorgelegd, was of de vrijheid van meningsuiting, waaronder politieke meningsuiting en politieke parodie, een ‘geldige reden’ kan vormen voor het gebruik van een teken dat overeenstemt met een bekend merk. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend: de vrijheid van meningsuiting kan in beginsel een geldige reden opleveren. Dat betekent echter niet dat ieder beroep op de vrijheid van meningsuiting slaagt. De nationale rechter zal steeds een belangenafweging moeten maken tussen enerzijds het eigendomsrecht van de merkhouder en anderzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van degene die het merk gebruikt.
Het Hof geeft daarbij een uitgebreid toetsingskader. Relevant zijn onder meer het doel van de uiting, de goede trouw van de gebruiker, de bijdrage aan een debat van algemeen belang, de omvang en intensiteit van het gebruik van het merk en het risico dat het publiek ten onrechte de indruk krijgt dat de merkhouder de betreffende boodschap ondersteunt.
Hoewel de uiteindelijke beoordeling aan de verwijzende rechter blijft, bevat het arrest zeer duidelijke aanwijzingen dat het Hof het beroep op de vrijheid van meningsuiting in de gegeven omstandigheden niet overtuigend acht. Volgens het Hof hield het gebruik van de IKEA-merken geen verband met IKEA, haar producten of haar handelspraktijken, maar werd vooral geprofiteerd van de bekendheid van de merken om de politieke boodschap kracht bij te zetten en de verspreiding daarvan te vergroten. Onder die omstandigheden lijkt het belang van Vrijheidsfonds niet zwaarder te wegen dan de belangen van Inter IKEA.
De interessante vraag die het Hof niet beantwoordt
Hoewel de aandacht vooral zal uitgaan naar de door het Hof geformuleerde criteria voor de belangenafweging, roept het arrest nog een andere interessante vraag op. Het Hof laat namelijk nadrukkelijk in het midden op welke merkrechtelijke grondslag het gebruik van de IKEA-merken precies moet worden beoordeeld.
Voor bescherming van bekende merken op grond van artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c Merkenrichtlijn is vereist dat sprake is van gebruik van een teken in het economisch verkeer voor waren of diensten. Het Hof benadrukt dat nog niet vaststaat of daarvan in deze zaak sprake is. Dat oordeel is voorbehouden aan de verwijzende rechter.
Het Hof merkt daarbij op dat een politiek programma op zichzelf geen waar of dienst is. Tegelijkertijd sluit het niet uit dat bepaalde vormen van gebruik, zoals gebruik op reclamemateriaal of in promotionele online content, wel kunnen kwalificeren als gebruik voor waren of diensten. Ook dat laat het Hof uitdrukkelijk aan de verwijzende rechter over.
Daarmee maakt het Hof duidelijk dat de kwalificatievraag geen formaliteit is. Sterker nog: de beantwoording ervan bepaalt welke beschermingsregimes überhaupt beschikbaar zijn.
Het verschil tussen Beneluxmerken en Uniemerken
Hier wordt een onderscheid zichtbaar dat voor de merkenpraktijk van groot belang is: het verschil tussen de bescherming van Beneluxmerken en die van Uniemerken.
Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat sprake is van gebruik in het economisch verkeer voor waren of diensten, dan kunnen zowel de Uniemerken als de Beneluxmerken van IKEA worden ingeroepen op grond van de bekende-merkenbescherming.
Maar indien de nationale rechter oordeelt dat daar geen sprake van is, resteert voor het Uniemerk geen afzonderlijke beschermingsgrondslag. Het Beneluxmerkenrecht kent, in tegenstelling tot het Uniemerkenrecht, wel een bepaling die bescherming biedt tegen gebruik van een teken buiten de klassieke merkfunctie.
Artikel 2.20 lid 2 onder d BVIE biedt bescherming tegen gebruik van een teken anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, wanneer daardoor zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. Deze bepaling vormt de implementatie van artikel 10 lid 6 van de Merkenrichtlijn.
Het Hof bevestigt expliciet dat deze aanvullende beschermingsroute relevant wordt zodra niet wordt vastgesteld dat sprake is van gebruik in het economisch verkeer voor waren of diensten. In dat geval moet de beoordeling ten aanzien van de Beneluxmerken plaatsvinden aan de hand van deze nationale beschermingsgrond.
Een mogelijke meerwaarde van het Beneluxmerk
Ook onder artikel 2.20 lid 2 onder d BVIE zal moeten worden onderzocht of sprake is van ongerechtvaardigd voordeel, afbreuk en een eventuele geldige reden. Bovendien benadrukt het Hof dat ook onder die bepaling een belangenafweging tussen het merkrecht en de vrijheid van meningsuiting moet plaatsvinden.
Juist bij politieke campagnes, maatschappelijke uitingen, kunstprojecten, parodieën en andere vormen van niet-traditioneel merkgebruik die zich moeilijk laten kwalificeren als gebruik voor waren of diensten, kan deze aanvullende beschermingsgrond van grote waarde zijn.
In dat opzicht is het arrest een herinnering dat het Beneluxmerk meer is dan slechts een regionaal alternatief voor het Uniemerk. In bepaalde situaties kan het Beneluxrecht bescherming bieden waar het Uniemerkenrecht ophoudt.
Conclusie
De discussie over het IKEA-arrest zal waarschijnlijk vooral draaien om de verhouding tussen de vrijheid van meningsuiting en het merkenrecht. Minstens zo interessant is echter dat het Hof expliciet onderscheid maakt tussen gebruik van een merk in het economisch verkeer voor waren of diensten en gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten. De vraag aan welke zijde van die grens een zaak uiteindelijk terechtkomt, kan bepalend zijn voor de beschikbare beschermingsmogelijkheden.
Voor merkhouders bevat het arrest daarom nog een tweede belangrijke les. Wanneer discussie kan ontstaan over de vraag of sprake is van gebruik in het economisch verkeer, kan een Beneluxmerk een waardevolle aanvullende beschermingslaag bieden. Het IKEA-arrest onderstreept daarmee dat Beneluxmerken, ondanks de populariteit van het Uniemerk, nog altijd een zelfstandige strategische betekenis hebben.
Onze mensen
Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.