Nieuws

Een onhandige plek is nog geen gebrekkige weg

Gepubliceerd op 31 jul 2026

Een onhandige plek is nog geen gebrekkige weg

VAST / 2026 B-026, Iris Cuijpers & Lucas Van Putten, e-ISSN 2667-307X, M.A.D.Lex

In een recente uitspraak buigt de rechtbank Overijssel zich over de wegbeheerderaansprakelijkheid. De zaak draait om een automobiliste die de gemeente aanspreekt tot vergoeding van de schade die zij lijdt nadat zij tegen een naast de stoep geplaatste lantaarnpaal is gebotst. Hoewel de gemeente achteraf zelfs erkende dat dit ‘geen handige plek’ was en besloot de paal uiteindelijk te verplaatsen, acht de rechtbank haar niet aansprakelijk. Sterker nog: uiteindelijk oordeelt de rechtbank juist dat de automobiliste aansprakelijk is voor de schade aan de lantaarnpaal.

De uitspraak laat zien dat tussen een onhandige verkeerssituatie en een juridisch gebrekkige weg een belangrijk verschil bestaat. In het vonnis sluit de rechtbank aan bij een bredere lijn in de rechtspraak ten aanzien van ex post getroffen veiligheidsmaatregelen. In reconventie mondt het geschil ten slotte uit in een opvallende rolomkering.

Het ongeval

Tijdens het voorsorteren voor een afslag schrikt een automobiliste van een verkeerssituatie, waarna zij een onverwachte stuurbeweging maakt en tegen een lantaarnpaal botst op het Stationsplein in Kampen. Door de aanrijding komt de lampenkap van de paal los en valt deze op haar auto, die daardoor aanzienlijke schade oploopt.

De automobiliste houdt de gemeente aansprakelijk, omdat de weginrichting volgens haar niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Volgens haar levert de lantaarnpaal een gevaarlijke situatie op, omdat deze zich niet op de stoep, maar daarnaast bevindt. Om die reden hadden rondom de paal volgens de automobiliste veiligheidsvoorzieningen moeten worden geplaatst. De gemeente bestrijdt dit en voert aan dat de lantaarnpaal goed zichtbaar is en buiten de openbare rijbaan staat. Derhalve zou er geen sprake zijn van een gebrekkige weginrichting.

Wanneer is een weg gebrekkig?

Op grond van artikel 6:174 BW is een wegbeheerder aansprakelijk wanneer een openbare weg of weguitrusting niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert voor personen of zaken. Sinds het Wilnis-arrest geldt dat bij de beoordeling daarvan mede aansluiting moet worden gezocht bij de gezichtspunten uit het Kelderluik-arrest: de kans op verwezenlijking van het gevaar, de ernst van de mogelijke gevolgen, de mogelijkheid van veiligheidsmaatregelen en hetgeen van weggebruikers zelf mag worden verwacht.

Daarbij benadrukt de rechtbank dat rekening gehouden moet worden met het feit dat weggebruikers niet altijd optimaal opletten. Tegelijkertijd mag ook van hen een zekere oplettendheid worden verlangd. De beoordeling van de mogelijke gebrekkigheid van de weginrichting blijft uiteindelijk sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Van belang is hierbij onder meer de inrichting en het te verwachten gebruik van de weg en de zichtbaarheid en het risico van het gevaar. Verder komt betekenis toe aan de vraag welke veiligheidsmaatregelen redelijkerwijs van de wegbeheerder kunnen worden verlangd.

Een onhandige plek is nog geen gebrekkige weg

De kern van het geschil betreft de positie van de lantaarnpaal. Vaststaat dat de paal na een herinrichting niet langer op de stoep stond, maar daarnaast was geplaatst. Dat gegeven is echter onvoldoende om een gebrek aan de weginrichting aan te nemen. De automobiliste heeft volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom de plaats van de paal onveilig was.

Daartegenover heeft de gemeente gemotiveerd uiteengezet dat de paal zich slechts twee meter van de stoep bevond, waardoor er op de in- en uitrit ruim 21 meter ruimte overbleef voor passerend verkeer. Bovendien geldt er ter plaatse een maximumsnelheid van 30 km/u en was de paal goed zichtbaar.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet zonder meer valt in te zien dat het ongeval zou zijn voorkomen indien aanvullende veiligheidsmaatregelen waren getroffen. Volgens de rechtbank verloor de automobiliste de controle over haar voertuig door een onverwachte stuurbeweging. Ook wanneer rondom de lantaarnpaal paaltjes of een hekwerk waren geplaatst, was zij vermoedelijk tegen die voorzieningen aangereden.

De rechtbank concludeert dan ook dat de oorspronkelijke in- en uitritconstructie voldoende deugdelijk was. Om deze reden kan de positie van de lantaarnpaal niet als gebrekkig worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat de paal wellicht niet op de meest logische of handige plek stond, betekent nog niet dat sprake is van een weginrichting die niet voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld.

Ook het beroep van de automobiliste op artikel 6:162 BW, dat door de rechtbank wordt getoetst aan de Kelderluik-criteria, houdt geen stand. Dat is weinig verrassend. De schuldaansprakelijkheid van artikel 6:162 BW gaat namelijk niet verder dan de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW. Indien aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW niet wordt aangenomen, zal er doorgaans dan ook geen sprake zijn van schuldaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:162 BW.

De gemeente heeft in dit verband nog aangevoerd dat zij niet bekend was met eerdere vergelijkbare ongevallen of bijzonderheden met betrekking tot de wegsituatie bij de in- en uitritconstructie. Vergelijkbare ongevallen of andere signalen over de verkeersveiligheid op dezelfde locatie kunnen een aanwijzing vormen dat sprake is van een structureel risico. Dat kan van betekenis zijn bij de beoordeling of de wegbeheerder met dat risico bekend was of behoorde te zijn en of van hem aanvullende veiligheidsmaatregelen mochten worden verwacht.(1) In dit geval was hier dus geen sprake van.

Een latere aanpassing is geen schuldbekentenis

Opvallend is dat de gemeente de lantaarnpaal na het ongeval heeft voorzien van een waarschuwingslint en een waarschuwingsbord. Uiteindelijk heeft zij de paal zelfs verwijderd. Volgens de automobiliste bevestigt dit dat de lantaarnpaal zich vóór het ongeval op een onveilige locatie bevond.

De rechtbank gaat daar nadrukkelijk niet in mee. Dat de gemeente naar aanleiding van een ongeval extra voorzorgsmaatregelen neemt, betekent niet zonder meer dat de eerdere situatie gebrekkig was. Dat oordeel past binnen een bredere lijn in de rechtspraak.(2) De gemeente heeft een zekere beleidsvrijheid om een situatie veiliger te maken wanneer zij dat wenselijk acht. Zou iedere veiligheidsmaatregel achteraf worden uitgelegd als een impliciete erkenning dat de eerdere situatie onveilig was, dan zou dat wegbeheerders ontmoedigen om na incidenten verbeteringen door te voeren.

Van eiser naar schadeplichtige

Opvallend is dat de procedure uiteindelijk een omgekeerde uitkomst krijgt. In reconventie stelt de gemeente namelijk onweersproken dat de lantaarnpaal door de aanrijding is beschadigd en maakt zij aanspraak op vergoeding van de herstelkosten. Die vordering wijst de rechtbank toe, waardoor de automobiliste uiteindelijk zelf wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 250 aan de gemeente.

Met dit oordeel verschuift het perspectief in deze uitspraak van schade dóór de lantaarnpaal naar schade áán de lantaarnpaal. Daarmee verschuift ook de rol van de automobiliste van vermeend slachtoffer naar veroorzaker.

Conclusie

De uitspraak van de rechtbank Overijssel laat zien dat een onhandige weginrichting niet per definitie een gebrekkige weg oplevert in juridische zin. Dat een wegbeheerder ex post besluit een situatie aan te passen of veiliger te maken, betekent evenmin dat die situatie voordien niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. De wegbeheerder behoudt de vrijheid om veiligheidsmaatregelen te treffen zonder daarmee aansprakelijkheid voor het verleden te erkennen.

In dat opzicht past het oordeel van de rechtbank in een bredere lijn in de rechtspraak. Juist van een zorgvuldig handelende wegbeheerder mag worden verwacht dat hij een situatie na een ongeval evalueert en waar nodig verbetert. Het treffen van dergelijke maatregelen mag daarom niet zonder meer worden uitgelegd als een erkenning van aansprakelijkheid.

Uiteindelijk strandt zowel het beroep van de automobiliste op artikel 6:174 BW als het beroep op artikel 6:162 BW op dezelfde kern: de rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de positie van de lantaarnpaal een onaanvaardbaar gevaar oplevert.

Opvallend is ten slotte dat de procedure uiteindelijk uitmondde in het tegenovergestelde van wat de automobiliste voor ogen had. Niet alleen werden haar vorderingen afgewezen, ook werd zij in reconventie veroordeeld tot vergoeding van de schade aan de lantaarnpaal.

Kortom, een onhandige plek is nog geen gebrekkige weg.

Noten

1 HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:AV4315.

2 HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4315, r.o. 3.2.4; hof ’s-Hertogenbosch 23 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:667, r.o. 3.5.8; rechtbank Haarlem 22 september 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO4555, r.o. 4.8; rechtbank Den Haag 10 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2979, r.o. 4.6.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief