Vrijheid keuze wie eerst te betalen?

De keuze is reuze

Het is algemeen bekend dat door de huidige coronasteun vanuit de overheid veel bedrijven overeind blijven, ook bedrijven die zonder die steun failliet zouden zijn gegaan. Het aantal faillissementen is afgelopen maand wel iets opgelopen, maar blijft nog steeds achter bij het verwachte aantal faillissementen onder normale omstandigheden. Eén van de maatregelen die de overheid heeft genomen om ondernemers tegemoet te komen is de uitstel van betaling van belastingschulden. De invordering wordt wel langzaam opgestart en in dat kader is een recente uitspraak van de Rechtbank Gelderland interessant.[1] In de die uitspraak kwam de vraag aan de orde in hoeverre het bestuurders van een onderneming vrij staat om te bepalen welke schuldeisers zij als eerste betalen.

De casus die ten grondslag ligt aan de betreffende uitspraak was als volgt. Een Nederlandse holdingmaatschappij hield 50% van de aandelen in een Nederlandse vennootschap en wat tevens haar enig bestuurder. De vennootschap verkeerde in zwaar weer en werd in 2016 ontbonden en uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel. Op dat moment stond er nog voor € 250.000 aan belastingschulden in de boeken; deze schulden bleven onbetaald. De Ontvanger van de Belastingdienst stelde dat het onbetaald blijven een gevolg is van onbehoorlijk bestuur door de holdingmaatschappij. De holdingmaatschappij had als bestuurder er voor gekozen om andere crediteuren wel te betalen. Zij stelde altijd de intentie te hebben gehad het bedrijf te continueren. Uiteindelijk wordt de holdingmaatschappij door de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden.

De holdingmaatschappij heeft echter op tijd en doorlopend betalingsonmacht gemeld. Een gevolg daarvan is dat er een omkering van de bewijslast optreedt. De Ontvanger dient dan het onbehoorlijk bestuur aannemelijk te de maken.

De Rechtbank Gelderland benadrukt dat het een bestuurder in beginsel vrij staat om te kiezen welke schuldeiser als eerste wordt betaald ondanks de preferente positie van de Ontvanger. Het besluit om belastingschulden geen voorrang te geven is pas onbehoorlijk bestuur als geen redelijk denkend bestuurder dat zou doen. Wel kan het zijn dat de keuzevrijheid van de bestuurder om sommige schuldeisers voorrang te geven in bepaalde gevallen beperkter is. Dit is het geval als de vennootschap besluit haar onderneming te beëindigen en krap in liquide middelen zit. Maar de Ontvanger maakt niet aannemelijk dat de voor de betaling aan de crediteuren de vennootschap had besloten om haar onderneming te staken. De rechtbank vernietigt daarom de aansprakelijkstelling. De Rechtbank Gelderland borduurt in dit kader verder op een uitspraak van de Hoge Raad van 12 april 2019. Een eventueel hoger beroep door de Belastingdienst lijkt dus weinig kans te maken.

Ook in zware tijden hebben ondernemers dus de keuze welke crediteuren zij als eerst betalen. Daarbij moeten ze wel de intentie hebben om de onderneming voort te zetten. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het aantrekken van extra financiering, maar ook uit andere gedragingen zoals het proberen te behouden van werkgelegenheid.  Wilt u meer weten?  Neem gerust eens contact op met een van onze specialisten.

 

[1] Rechtbank Gelderland 12 februari 2021 (gepubliceerd 2 maart 2021), ECLI:NL:RBDHA:2021:714, AWB 19/6841