Verkeersongevallen en de alcoholclausule (deel 2)

Eerder dit jaar schreef ik over de toepassing van de alcoholclausule en de gevolgen voor bestuurders die onder invloed van alcohol of een ander verdovend middel een ongeval veroorzaken. Tot dusver werd veelal geoordeeld dat de WAM-verzekeraar het uitgekeerde bedrag aan het slachtoffer niet kon verhalen op de bestuurder die niet de verzekeringnemer is. Ik wees hierbij op de conclusie van de procureur-generaal van 20 januari 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:90) en gaf aan dat in het vervolg dit vraagstuk anders zou kunnen worden beantwoord. De uitspraak van de Hoge Raad in deze kwestie is recentelijk gewezen (ECLI:NL:HR:2023:1164) en heeft een verrassende uitkomst. In het navolgende stuk bespreek ik deze uitspraak.

Alcoholclausule

Het overgrote deel van de WAM-verzekeraars hanteert een alcoholclausule. Daarin wordt opgenomen dat de schade die is veroorzaakt door een bestuurder die meer alcohol heeft genuttigd dan wettelijk is toegestaan (of onder invloed is van een ander verdovend middel) van dekking is uitgesloten. Die bestuurder is in dat geval niet verzekerd voor de schade als gevolg van het ongeval. De WAM-verzekeraar kan met een beroep op art. 15 lid 1 WAM de schade die hij aan een slachtoffer moet uitkeren, vervolgens verhalen op de bestuurder.

Dit is anders in het geval de bestuurder niet de verzekeringnemer is. In die gevallen wordt doorgaans in de jurisprudentie een vordering op grond van art. 15 lid 1 WAM van de verzekeraar op de bestuurder afgewezen. Op grond van dit artikel kan de verzekeraar de schade op deze bestuurder alleen verhalen indien bij deze bestuurder de goede trouw dat zijn aansprakelijkheid door de verzekering gedekt was ontbreekt. Tot op heden werd er doorgaans geredeneerd dat het geen feit van algemene bekendheid is dat schade veroorzaakt door een bestuurder onder invloed van alcohol of drugs niet onder de dekking van een WAM-verzekering valt. Het enkele feit dat de bestuurder onder invloed is van alcohol of drugs, betekent dus niet automatisch dat de bestuurder niet te goeder trouw is in de zin van art. 15 lid 1 WAM.

Casus

In deze zaak had de zoon van de verzekeringnemer de auto bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol. Hij reed daarbij tegen een geparkeerde auto aan. Zijn vriend, die als passagier in de auto zat, liep hierbij letsel op. De WAM-verzekeraar wil in deze zaak de schade-uitkering aan de passagier verhalen op de bestuurder. Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben de vordering afgewezen. Het gerechtshof oordeelde op 1 februari 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:248) dat niet kon worden vastgesteld dat de bestuurder bekend was met de consequenties van het gebruik van alcohol voor de dekking onder de WAM-verzekering als hij schade zou veroorzaken. Volgens het hof is het geen feit van algemene bekendheid dat schade veroorzaakt door een bestuurder onder invloed van alcohol of drugs van dekking is uitgesloten. Tegen dit arrest heeft de verzekeraar cassatie ingesteld. De procureur-generaal heeft in zijn conclusie van 20 januari 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:90) anders geadviseerd. Hij overwoog dat de dronken bestuurder in dit geval redenen had om te twijfelen of zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Hij was met andere woorden niet te goeder trouw in de zin van art. 15 lid 1 WAM.  Daardoor zou de verzekeraar wel met succes verhaal kunnen nemen op de bestuurder.

Arrest Hoge Raad

Bij arrest van 8 september 2023 volgt de Hoge Raad het advies van de procureur-generaal op. Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof miskend dat de goede trouw (zoals bedoeld in art. 15 lid 1 WAM) ook ontbreekt in het geval de bestuurder goede redenen had om te twijfelen of zijn aansprakelijkheid door de verzekering was gedekt. De redenering van het gerechtshof dat de goede trouw niet ontbreekt, omdat het geen feit van algemene bekendheid is dat rijden onder invloed van alcohol van dekking kan zijn uitgesloten, is onvoldoende. Hierbij acht de Hoge Raad het van belang dat uit de gang van zaken rond het ongeval kon worden afgeleid dat de bestuurder besefte dat het (zeer) onverstandig, niet toegestaan en (mogelijk) strafbaar was om in de auto te gaan rijden in de staat waarin hij toen verkeerde. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt doorverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor de verdere beslissing.

Conclusie

Bij dit arrest lijkt de Hoge Raad de mogelijkheden van de verzekeraar te verruimen om de schade-uitkering aan een slachtoffer op grond van art. 15 lid 1 WAM te verhalen op de bestuurder die niet de verzekeringnemer is. Bij de beoordeling of de goede trouw bij deze bestuurder ontbreekt, is het niet alleen maar van belang dat de bestuurder daadwerkelijk wist dat rijden onder invloed gevolgen zou hebben voor de dekking van zijn aansprakelijkheid. De goede trouw ontbreekt ook in het geval deze bestuurder goede redenen had om te twijfelen of zijn aansprakelijkheid door de WAM-verzekering was gedekt. Dit zou ook kunnen blijken uit de gang van zaken rondom het ongeval. De vraag blijft wanneer er voldoende omstandigheden aanwezig zijn om die twijfel aan te kunnen tonen. Hopelijk zal het gerechtshof Den Haag dit nader kunnen verduidelijken. De rechter kan in ieder geval een vordering op art. 15 lid 1 WAM niet meer afwijzen met de enkele redenering dat het geen feit van algemene bekendheid is dat schade veroorzaakt door een bestuurder onder invloed niet onder de dekking van een WAM-verzekering valt.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?