Update rechtspraak gezondheidsrecht december 2023

update rechtspraak gezondheidsrecht februari

Deze update omvat een selectie van uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht die in de maand december op www.rechtspraak.nl zijn gepubliceerd. Elke uitspraak is voorzien van een inhoudsindicatie en een link naar de volledige uitspraak.

Inzagerecht

Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1670

Cassatie in het belang der wet. Heeft patiënt op grond van bepalingen uit afdeling 7.7.5 BW recht op inzage van advies aan aansprakelijkheidsverzekeraar van ziekenhuis over vraag of zijn medische behandeling volgens de regels van de geneeskunst is verlopen? Met zijn beschikking oordeelde de Hoge Raad dat in de situatie waarin de medisch adviseur van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar zich slechts een mening vormt over het handelen van de aangesproken hulpverlener een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 lid 1 BW tussen de medisch adviseur en de (ex-)patiënt niet tot stand komt. Het geven van een advies, aan de hand van het medisch dossier en zonder de patiënt te zien, over de vraag of een geneeskundige behandeling volgens de regels van de geneeskunst is verlopen, is geen handeling op het gebied van de geneeskunst. Evenmin is sprake van een beoordeling van de gezondheidstoestand van de patiënt of van diens medische begeleiding als bedoeld in artikel 7:446, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek, zodat de bepalingen van de geneeskundige behandelingsovereenkomst ook niet van overeenkomstige toepassing zijn. Een en ander betekent dat de patiënt niet een inzagerecht kan ontlenen aan artikel 7:456 BW, noch aan artikel 7:464 lid 2 BW.

Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1682

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Buitengerechtelijke behandeling van zaken over medische beroepsaansprakelijkheid. Kan behandelend jurist zonder toestemming van patiënt inzage krijgen in medisch dossier? Moet hulpverlener inhoudelijk standpunt innemen over vordering indien die toestemming niet wordt gegeven? Met zijn prejudiciële beslissing oordeelde de Hoge Raad dat bij de buitengerechtelijke afhandeling van een vordering tot schadevergoeding de hulpverlener niet zonder toestemming van de patiënt medische gegevens van de patiënt mag delen met een jurist. Relevant in dat verband is dat op de hulpverlener een geheimhoudingsplicht rust. Met toestemming van de patiënt mag de hulpverlener niettemin gegevens aan een ander verstrekken. Ook de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) gaat uit van een verbod op het delen van medische gegevens en benoemt eveneens de uitdrukkelijke toestemming als rechtsgeldige reden voor doorbreking van het verbod (artikel 9 lid 1 AVG). Alleen een wettelijke grondslag zou het mogelijk maken om medische gegevens te delen zonder die vereiste toestemming. Die wettelijke grondslag kan evenwel niet worden gevonden in artikel 9 lid 2 aanhef en onder f AVG, niet in de Wkkgz en niet in de verzekeringsovereenkomst. Toestemming van de patiënt is dus nodig, maar geeft hij die niet op basis van een zorgvuldige machtiging (daarvoor noemt de Hoge Raad enkele criteria), dan hoeft het ziekenhuis of de verzekeraar ook niet een inhoudelijk standpunt over de vordering in te nemen, omdat het dan niet in de gelegenheid is geweest dit standpunt met een jurist te bepalen.

Raad van State 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4531

Bij besluiten van 12 december 2019 en 31 december 2019 heeft de raad van bestuur van het Centrum Indicatiestelling Zorg een verzoek van appellant om inzage in zijn persoonsgegevens afgewezen. De moeder van appellant was een cliënte van het CIZ. Appellant heeft het CIZ op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming verzocht om een volledig overzicht van de gegevens die het CIZ over hem verwerkt, op het moment van het verzoek (12 november 2019) en op 15 oktober 2014, met inbegrip van de logginggegevens. Uit de logginggegevens moet volgens appellant blijken wie zijn gegevens in 2014 als wettelijk contactpersoon van zijn moeder heeft gewijzigd, op welk moment dat is gebeurd en in opdracht van wie. Het CIZ heeft het verzoek tot inzage bij besluiten van 12 december 2019 en 31 december 2019 afgewezen omdat het in de veronderstelling was dat appellant inzage wilde in het cliëntdossier van zijn moeder. Omdat de moeder van appellant een mentor had kon een dergelijk verzoek alleen door de mentor worden gedaan.

Wetenschappelijk onderzoek

Rechtbank Gelderland 19 december 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6908

Kort geding. Raad van Bestuur draagt eindverantwoordelijkheid voor uitvoering van wetenschappelijk onderzoek onder dak van het ziekenhuis. Zij heeft een eigen afweging te maken in de goedkeuring van Clinical Trial Agreements. Die goedkeuring is niet slechts een formaliteit. Geen sprake van reeds verkregen toestemming vanwege het doorlopen van grootste deel van de interne aanvraagprocedure. Geen sprake van wanprestatie door geen uitvoering aan die Agreement te geven. Ook geen sprake van onrechtmatig handelen door in de gegeven omstandigheden geen akkoord te verlenen.

Zorgverzekering(swet)

Rechtbank Gelderland 15 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6305

Geschil over preferentiebeleid zorgverzekeraar. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en sport (hierna: de minister) wijst geneesmiddelen aan die worden opgenomen in het basispakket van voor vergoeding in aanmerking komende zorg. Zorgverzekeraars hebben vervolgens de bevoegdheid om van een groep door de minister aangewezen geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof, geneesmiddelen aan te wijzen die de zorgverzekeraar zal vergoeden. Dit wordt het preferentiebeleid genoemd. Menzis heeft aangekondigd dat zij vanaf 1 januari 2019 preferentiebeleid zal gaan voeren op Vitamine D, inhoudende dat alleen de verstrekking in de sterkte 25.000IE/30.000IE wordt vergoed. Volgens Goodlife, leverancier van diverse sterktes Vitamine D, is het Menzis niet toegestaan om slechts één sterkte als preferent aan te wijzen. Verder stelt Goodlife dat Menzis in haar overeenkomsten huisartsen en apothekers dwingt om alleen de als preferent aangewezen sterkte voor te schrijven en te verstrekken, ongeacht of deze sterkte medisch verantwoord is voor een verzekerde. In kort geding is Menzis een verbod opgelegd om dit preferentiebeleid uit te voeren. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad bij arrest van 9 juli 20211 geoordeeld dat het Menzis is toegestaan om in haar preferentiebeleid slechts één sterkte van een geneesmiddel met een bepaalde werkzame stof voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Vergoeding van het geneesmiddel in andere sterktes mag volgens de Hoge Raad niet worden geweigerd als de voorschrijvende arts vermeldt dat behandeling met het voorkeursgeneesmiddel medisch niet verantwoord is. Het inzicht van de arts is hier beslissend. Aan de medische noodzaak van het voorgeschreven geneesmiddel mogen apotheker of zorgverzekeraar geen nadere voorwaarden verbinden, aldus de Hoge Raad. In deze bodemprocedure ligt, na wijzigingen van eis in conventie en in reconventie na het arrest van de Hoge Raad, nog voor of Menzis onrechtmatig heeft gehandeld door de wijze waarop zij haar preferentiebeleid heeft vormgegeven en wenst uit te voeren. De tegenvordering van Menzis ziet op het feit dat Menzis vanwege het vonnis in kort geding haar preferentiebeleid niet heeft uitgevoerd, waardoor zij stelt schade te hebben geleden waarvoor zij Goodlife aansprakelijk acht. Gedurende de procedure is de situatie gewijzigd, doordat de minister vanaf 1 januari 2023 Vitamine D geheel uit het basispakket heeft gehaald.

Rechtbank Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20563

Kort geding. Medipoint is een bedrijf dat hulpmiddelen en diensten levert aan zorginstellingen en eindgebruikers. Op grond van de Zorgverzekeringswet kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding dan wel verstrekking van (een deel van) die hulpmiddelen en diensten. Ten behoeve van het leveren van verzekerde hulpmiddelenzorg sluit Medipoint contracten met zorgverzekeraars. Afwijzing vordering tot indexeren tarieven. Eiseres (Medipoint) kan niet worden gevolgd in haar uitleg van de overeengekomen clausule.

Rechtbank Gelderland 24 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6923

Kort geding. Aanwezigheid van feitelijke hinderpaal voor afname van niet-gecontracteerde zorg niet aannemelijk. Verbod op terugvordering van teveel betaalde zorgkosten over het jaar 2022 afgewezen.

Gerechtshof Den Haag 5 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2285

Alrijne en de maatschap zijn in 1984 overeengekomen dat Alrijne een deel van de salariskosten van de door de maatschap ingeschakelde mondhygiënisten kan doorbelasten aan de maatschap. De inwerkingtreding van een nieuwe tariefbeschikking van de NZa in 2009 heeft ertoe geleid dat voor een kaakchirurgisch consult bij de zorgverzekeraar een zogenoemd ‘kostendeel’ kan worden gedeclareerd. In geschil is of Alrijne in 2009 had moeten stoppen met het doorbelasten van de salariskosten voor de mondhygiënisten, vanwege het feit dat zij vanaf dat moment bij een kaakchirurgisch consult een ‘kostendeel’ bij de zorgverzekeraar kon declareren. Partijen twisten onder meer over de vraag of zij over deze kwestie in 2009 overeenstemming hebben bereikt.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7458

Artikel 7.8 Regeling zorgverzekering en protocol Materiële Control. Controle vooraf door zorgverzekeraar met opschorting van betaling. Onzorgvuldig handelen zorgverzekeraar door detailcontrole te starten terwijl nog niet was voldaan aan eisen van artikel 7.8 Regeling zorgverzekering. Beperkte periode van onzorgvuldig handelen.

Wet langdurige zorg

Rechtbank Den Haag 31 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20567

Kort geding betreffende de inkoopprocedure Wlz. Gebod tot aanpassen inkoopbeleid, zodat de onrechtmatigheid hiervan op het onderdeel zoals weergegeven onder het systeem van ‘het historisch laag tarief’ wordt weggenomen. Afwijzing overige vorderingen.

Rechtbank Den Haag 4 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18900

Kort geding betreffende de inkoopprocedure Wlz-zorg. Vordering tot aanvulling van het tarief voor WG7-zorg over 2023 wordt afgewezen. Eiseres kan zich op grond van de inkoopvoorwaarden er nu niet meer over beklagen dat het overeengekomen tarief te laag is. Binnen de bestaande vergoedingssystematiek is het zorgkantoor niet verplicht het tarief aan te vullen, ook niet als het tarief niet kostendekkend is. Het zorgkantoor heeft ook geen bindende toezeggingen gedaan om het tarief verder aan te vullen dan na de landelijke herschikking is gebeurd.

Rechtbank Gelderland 13 december 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6752

Afwijzing zorgovereenkomst (zorgverlener verleent geen kwalitatief verantwoorde en doelmatige Wlz-zorg). Het zorgkantoor was bevoegd de zorgovereenkomst af te wijzen. Artikel 5.16 lid 2 en 4 Rlz en systematiek van de Wlz. Belangenafweging onvoldoende zorgvuldig. Gegrond, nieuw besluit op bezwaar.

Wet marktordening gezondheidszorg

College van Beroep voor het bedrijfsleven 21 december 2023, ECLI:NL:CBB:2023:725

Beroep en rechtstreeks beroep door huisartsen en huisartsenorganisaties tegen de tariefbeschikkingen waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven heeft vastgesteld voor huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg voor de jaren 2023 en 2024. Vereiste van kostendekkendheid. De NZa heeft de tarieven voor 2023 en 2024 gebaseerd op een kostenonderzoek uit 2015 en de tarieven vervolgens ieder jaar geïndexeerd. De huisartsen voeren aan dat de NZa de tarieven niet meer mocht baseren op het kostenonderzoek 2015, omdat er ontwikkelingen hebben plaatsgevonden in de huisartsensector die aanleiding gaven om de tarieven te herijken en dus opnieuw kostenonderzoek te doen. De NZa heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de tarieven niet hoefde te herijken, maar kon volstaan met indexering daarvan. Het College oordeelt dat de NZa conform haar eigen beleid de tarieven had moeten herijken. Herijking is bedoeld om zekerheid te krijgen over de kostendekkendheid van tarieven. Als er veel ontwikkelingen zijn in de sector is er eerder aanleiding om te herijken. Dit beleid voert de NZa daarom ook. Nu er geen herijking heeft plaatsgevonden, heeft de NZa ook niet aannemelijk gemaakt dat de tarieven voor 2023 en 2024 voldoen aan het vereiste van kostendekkendheid. Het College verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing waarbij op de bezwaren tegen de tariefbeschikking 2023 is beslist en vernietigt de tariefbeschikking 2024. Het College draagt de NZa op om nieuwe besluiten te nemen.

Aansprakelijkheid

Rechtbank Limburg 13 december 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:7421

Bodemzaak. Tussenvonnis. Het ziekenhuis heeft in 2002 een fout gemaakt bij de behandeling van een te vroeg geboren kind met ondergewicht door kort na de geboorte een verkeerde hoeveelheid magnesium toe te dienen. Sindsdien hebben partijen onderzocht of het kind ontwikkelingsstoornissen heeft en of die stoornissen het gevolg zijn van de fout van het ziekenhuis. Partijen zijn in de loop van de tijd in een impasse beland. Het ziekenhuis wil de schade, die het gevolg is van haar fout, alsnog afwikkelen en is daarom deze procedure gestart. De rechtbank kondigt aan dat deskundigenonderzoek nodig is om vast te stellen of sprake is van een medische eindtoestand en of het inmiddels volwassen kind blijvende ontwikkelingsstoornissen heeft. De rechtbank oordeelt verder dat de schadevordering van de moeder verjaard is.