Tuchtrecht en civiele rechtspraak: hoe zit dat?

In 2014 loopt een waterpolowedstrijd voor Jan (de namen in dit stuk zijn, in verband met de privacy, gewijzigd) heel anders dan gedacht. De waterpolowedstrijd in Den Haag verloopt al vrij onrustig; er is veel emotie in het spel. Op een gegeven moment probeert Jan een speler van het andere team te verdedigen, als hij ineens door de andere speler in zijn gezicht wordt geslagen. Jan is even de weg kwijt en wordt door andere spelers het water uit geholpen. Aan de waterkant blijkt het echt niet goed te gaan met Jan en wordt hij door zijn vrouw naar het ziekenhuis gebracht. Uiteindelijk wordt een kaakbreuk vastgesteld en in de periode daarna blijkt dat Jan dingen vergeet en dat hij bijvoorbeeld geen controle heeft over zijn arm op het moment dat hij zijn ogen heeft gesloten. Na lange tijd onderzoek wordt niet-aangeboren hersenletsel bij Jan vastgesteld. Vooral dit hersenletsel heeft voor Jans leven verregaande gevolgen. Zo is hij volledig arbeidsongeschikt en is hij niet meer de vader (toen 3 kleine kinderen) die hij voorheen was. Jans leven zal nooit meer hetzelfde zijn na de klap.

Allereerst heeft Jan een tuchtklacht ingediend bij de KNZB. De Tuchtcommissie oordeelt in eerste instantie dat de klacht gegrond is, omdat de tegenspeler (onder andere) onbesuisd gedrag vertoonde. De tegenspeler komt hiertegen in beroep en de commissie van beroep oordeelt dat er enkel getuigenverklaringen vanuit het team van Jan zijn; vanwege de bewijsregels in het tuchtrecht van de KNZB kan de klachten dan niet gegrond worden verklaard.

Jan start ook een civielrechtelijke procedure voor zijn letselschade. Eerst vinden er getuigenverhoren plaats bij de rechtbank. Hieruit blijkt dat alle getuigen van Jan ondubbelzinnig aangeven dat Jan met een vuist in het gezicht is geslagen. De tegenspeler heeft alleen zijn eigen verhaal: het zou een mislukte waterpolomanoeuvre zijn geweest en de klap was absoluut niet onrechtmatig. Bovendien was de tegenspeler ook vrijgepleit bij de commissie van beroep van de KNZB.

De rechtbank gaat niet mee met het verhaal van de tegenspeler en oordeelt dat de uitspraak van de commissie van beroep van de KNZB niet door de rechtbank hoeft te worden gevolgd. In een civiele zaak hoeft de rechtbank een oordeel van een tuchtrechter namelijk niet te volgen, indien zij kan onderbouwen waarom zij dit niet doet.

In het Nederlandse bewijsrecht geldt dat de rechter getuigenverklaringen mag laten meewegen in de bewijsvoering. In het civiele recht maakt het geen verschil of een getuige een bekende is van iemand of niet. De rechtbank weegt alle getuigenverklaringen af en oordeelt dan uiteindelijk of de getuigenverklaringen haar geloofwaardig voorkomen en neemt dit mee in haar oordeel. Dit is dus niet hetzelfde criterium dat geldt in het tuchtrecht van de KNZB.

Nu in deze zaak 5 getuigen steeds consistent hadden verklaard over de toedracht van het ongeval en de tegenspeler alleen zijn eigen verklaring had (in het civiele recht zeggen we ook weleens “één verklaring is geen verklaring”), kwam de rechtbank Den Haag op 17 februari 2021 terecht tot het oordeel dat Jan voldoende heeft bewezen dat de tegenspeler hem onrechtmatig een klap had gegeven en dat de tegenspeler aansprakelijk is voor de schade van Jan. De aansprakelijkheid wordt door dus de rechtbank vastgesteld en de tegenspeler en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar moeten de schade van Jan vergoeden.

Het is dus goed om te weten dat er nog civielrechtelijke mogelijkheden zijn, ondanks het feit dat een tuchtrechtelijke instantie negatief heeft geoordeeld.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?