Geldigheid concurrentiebeding Nederlandse werknemer beoordeeld naar Deens recht

In een eerder artikel hebben wij uitgelegd welk recht van toepassing is als er wordt gewerkt in het buitenland. In eerste instantie wordt dit bepaald door de afspraken die werkgever en werknemer hierover hebben gemaakt. Deze rechtskeuze is echter niet onbegrensd: men moet ook rekening houden met het objectief toepasselijk recht. In deze zaak moest de Amsterdamse kantonrechter vaststellen of hij de zaak naar Nederlands of Deens recht moest beoordelen.

De casus

De werknemer werd door zijn voormalig werkgever Nets aangesproken op overtreding van het concurrentiebeding. In de procedure vorderde Nets onder andere betaling van de contractuele boete. De werknemer in kwestie heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Hij was verplicht om zes dagen per maand vanuit Denemarken te werken. Dit omdat hij dan in Denemarken sociaalrechtelijk was verzekerd. In de arbeidsovereenkomst hebben partijen bepaald dat Deens recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst.

In de procedure twisten partijen over de vraag of de geldigheid van het concurrentiebeding beoordeeld moet worden naar Deens of naar Nederlands recht.

Toepasselijk recht

Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Dat volgt uit artikel 8 lid 1 van de Verordening Rome I. Het lijkt dus simpel: Deens recht is dan van toepassing. Die conclusie mag niet zo eenvoudig worden getrokken. De rechtskeuze mag er namelijk niet voor zorgen dat de werknemer de bescherming verliest die hij had gehad als er géén rechtskeuze zou zijn gemaakt, aldus artikel 8 lid 2 van de Verordening Rome I. Het artikel bepaalt verder dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land van waaruit de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verrichtte. Dat is Nederland. Zijn we er dan? Nee, toch nog steeds niet. De rechter in Amsterdam kijkt óók nog naar artikel 8 lid 4 Rome I. Dat artikellid bepaalt dat als uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land, dat dan het recht van dat land van toepassing is.

De kantonrechter verwijst naar de Hoge Raad[1], die hierover heeft geoordeeld dat rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Belangrijke betekenis komt toe aan de vraag in welke land de werknemer belastingen en heffingen betaalt, in welk land de werknemer sociaal verzekerd is en omstandigheden zoals vaststelling van het salaris en andere arbeidsvoorwaarden.

De kantonrechter pelt dit verder af. De werknemer viel onder de Deense sociale verzekeringen. Hij droeg in Denemarken belasting af. Hij ontving zijn salaris in Deense kronen op een Deense bankrekening op zijn naam. Hij nam deel in de Deense pensioenregeling van Nets. In de arbeidsovereenkomst wordt verwezen nar de Deense cao. Verder hebben partijen afgesproken dat Denemarken het gewoonlijke werkland zou zijn. Ook weegt de kantonrechter mee dat Deens recht is gekozen, dat Nets gevestigd is in Denemarken en dat er Deense arbeidsvoorwaarden overeen zijn gekomen. Uit het geheel van al deze omstandigheden blijkt dat sprake is van een kennelijk nauwere band met Denemarken dan met Nederland. Dat de werknemer in Nederland woonde en daar vaak werkte, legt tegenover alle andere omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal. Het Deense recht is dan ook van toepassing en de kantonrechter beoordeelt de zaak naar Deens recht.

En hoe luidt het eindoordeel? De werknemer heeft het concurrentiebeding overtreden en wordt veroordeeld tot betaling van een boete.

Conclusie

Grensoverschrijdend arbeidsrecht kan veel vragen oproepen. Welk recht is van toepassing, en welke rechter is bevoegd? Ook als er duidelijke afspraken zijn gemaakt, kunnen het gewoonlijke werkland en alle overige omstandigheden van het geval tot een andere conclusie leiden.

Wordt u geconfronteerd met vragen over internationale arbeidskwesties? Neemt u dan gerust contact op met Marloes Stuurop, Martijn Huisman of Joris van Haalen.

[1] Hoge Raad 23 november 2018; ECLI:NL:HR:2018:2165