Btw-positie toezichthouders verduidelijkt

Op 7 mei 2021 is een nieuw besluit inzake de ‘btw-heffing bij werkzaamheden van toezichthouders en van leden van diverse commissies’ (“Besluit”) in werking getreden. Het Besluit geeft een invulling aan het begrip ‘zelfstandig’ in het kader van de btw-behandeling van de werkzaamheden van natuurlijke personen die optreden als toezichthouder of als lid van een bezwaaradviescommissie of van andere vergelijkbare werkzaamheden.

Zelfstandigheid

Eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht is belastingplichtig voor de btw, ongeacht de plaats van de activiteit en het oogmerk of het resultaat van die activiteit. De zelfstandigheid ontbreekt in ieder geval voor loontrekkenden. Dit geldt tevens voor andere personen die met hun werkgever een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat met betrekking tot de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.

Arresten van Hof van Justitie van de EU en de Hoge Raad

Arresten van het Hof van Justitie van de EU en de Hoge Raad hebben aanleiding gegeven om de btw-positie van toezichthouders en commissieleden te verduidelijken. In deze procedures kwam de zelfstandigheid bij het bepalen van de btw-positie van dergelijke functionarissen aan de orde. Hierbij werden de omstandigheden van het geval getoetst aan een aantal criteria, namelijk of de betreffende personen individuele taken of verantwoordelijkheden hebben, zij de werkzaamheden op eigen naam, voor eigen rekening en/of onder eigen verantwoordelijkheid verrichten, en zij economisch risico lopen.

Verduidelijking

In het kader van de btw-positie – wel of geen btw-ondernemer – worden in het Besluit drie categorieën van natuurlijke personen onderscheiden. Het gaat om de persoon die:

  • btw-ondernemer is en dus zelfstandig een economische activiteit verricht;
  • in dienstbetrekking is (werknemer) of in een hiermee vergelijkbare juridische verhouding staat ten opzichte van de werkgever en aldus geen btw-ondernemer is;
  • niet in dienstbetrekking is en zich niet in een andere juridische verhouding van ondergeschiktheid bevindt ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever, maar die ook geen btw-ondernemer is vanwege het ontbreken van zelfstandigheid bij het verrichten van zijn diensten.

Met het Besluit wordt beoogd de btw-positie van toezichthouders en commissieleden te verduidelijken. Er wordt verduidelijkt in welke situaties er geen sprake is van zelfstandigheid ondanks het ontbreken van een arbeidsovereenkomst. Er is dan geen sprake van btw-ondernemerschap. Het gaat om werkzaamheden verricht als lid van de volgende organen en commissies:

  1. Toezichthoudend orgaan met wettelijke grondslag in publiek- of privaatrecht (o.a. nv, bv, (bedrijfstak)pensioenfonds)
  2. Toezichthoudend orgaan zonder wettelijke grondslag in publiek- of privaatrecht vergelijkbaar met nv of bv (o.a. stichting en vereniging)
  3. Bezwaaradviescommissies, adviescolleges met wettelijke taak
  4. Toetsingscommissies, geschillencommissies en vergelijkbare commissies

De betreffende werkzaamheden van een persoon worden voor het bepalen van de btw-positie afzonderlijk van eventuele andere (neven)werkzaamheden beoordeeld. Dit geldt ook als de natuurlijke persoon al btw-ondernemer is op basis van andere werkzaamheden. Als een natuurlijk persoon meerdere commissariaten of toezichtfuncties vervult en in de verschillende functies niet zelfstandig optreedt, leveren deze functies tezamen ook geen btw-ondernemerschap op.

Het Besluit werkt terug tot 13 juni 2019. In het Besluit is goedgekeurd dat btw die in rekening is gebracht in de periode 13 juni 2019 tot 7 mei 2021 voor de bedoelde werkzaamheden en deze btw bij de afnemer in aftrek is gebracht, hierop geen correcties hoeven te worden toegepast.

Andere situaties die niet onder de hiervoor beschreven toezichtfuncties en commissariaten vallen, moeten op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld aan de hand van regelgeving en jurisprudentie.