Bij de Ondernemingskamer: een cliëntenraad die het te bont maakt

Cliëntenraad

Het gebeurt niet bijzonder vaak: een zorgaanbieder en cliëntenraad bij de Ondernemingskamer te Amsterdam (‘OK’). Zeker niet waar het gaat om een verzoek tot ontbinding van de cliëntenraad, door een zorgaanbieder. Toch is het niet onmogelijk, zo blijkt uit een onlangs door de OK gegeven beschikking. Het onderwerp van de procedure was een uitspraak van de door partijen samen ingestelde Commissie van vertrouwenslieden (‘Cvv’). De OK windt er geen doekjes om: de cliëntenraad heeft het in deze zaak veel te bont gemaakt en ‘op onaanvaardbare wijze’ geopereerd. Het volgende was aan de hand.

De feiten in deze zaak

In deze zaak gaat het om een geschil tussen Bureau Jeugdzorg Limburg (‘BJL’) en haar cliëntenraad. BJL is een instelling die hulp en ondersteuning biedt aan kinderen en hun ouders in gevallen waarin een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken of jeugdreclassering is opgelegd. De communicatie tussen BJL en de cliëntenraad verloopt al geruime tijd uiterst moeizaam. Eind april 2021, hadden BJL en de cliëntenraad de OK al gezamenlijk verzocht een voorzitter aan te wijzen voor een commissie van vertrouwenslieden die moest oordelen over het verzoek van BJL om toestemming tot ontbinding van de cliëntenraad. De OK heeft in dat kader mr. E. Knipschild als onafhankelijke voorzitter aangedragen (hierna: Knipschild). Partijen zijn toen verder overeengekomen dat die commissie, naast de voorzitter, zou bestaan uit een door BJL aan te wijzen lid en een door de cliëntenraad aan te wijzen lid. Na een schriftelijke uitwisseling van standpunten heeft de op deze manier samengestelde Cvv het verzoek om toestemming tot ontbinding van de cliëntenraad, zoals bedoeld in artikel 13 lid 5 van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (‘Wmcz 2018’), op 22 juli 2021 op zitting behandeld. Bij uitspraak van de Cvv van 2 september 2021 is het verzoek van BJL toegewezen. Op 3 september 2021 heeft BJL de cliëntenraad met onmiddellijke ingang ontbonden.

De procedure bij en het oordeel van de OK

De redenen voor het hoger beroep van de cliëntenraad

De cliëntenraad is tegen deze uitspraak van de Cvv in hoger beroep gegaan. Samengevat vindt de cliëntenraad namelijk dat de beslissing van de Cvv nietig is, omdat één van de leden van de Cvv (mevrouw Slump) zich in de ochtend voorafgaand aan de uitspraak heeft teruggetrokken. Daardoor is de bestreden beslissing niet door een drieledige Cvv genomen. En dat is in strijd met het bepaalde in artikel 14 lid 1 Wmcz 2018. Het oordeel van de Cvv is volgens de cliëntenraad daarom nietig. Verder (subsidiair) wordt door de cliëntenraad aangevoerd dat:

  1. BJL de cliëntenraad ten onrechte niet in staat heeft gesteld om contact met zijn achterban te hebben;
  2. er geen sprake van structureel tekortschieten door de cliëntenraad;
  3. de Cvv ten onrechte heeft aangenomen dat er geen alternatief voor ontbinding van de cliëntenraad is.
Is de uitspraak van de Cvv volgens de OK inderdaad nietig?

De OK oordeelt dat de uitspraak van de Cvv niet nietig is. Vast staat namelijk dat mevrouw Slump pas heeft aangegeven zich te willen terugtrekken nadat de uitspraak al was gewezen. Dat deed mevrouw Slump bovendien omdat ze het op delen niet eens was het met feitenrelaas van de uitspraak en delen over de wetsgeschiedenis, en bovendien op het moment dat het derde concept van de uitspraak al gereed was.

De cliëntenraad heeft hier ook een vergelijking gemaakt met de totstandkoming van uitspraken van rechterlijke colleges. Volgens de OK is de Cvv geen rechtelijke instantie en daarmee ook niet gelijk te stellen, en lijkt de Cvv eerder op een arbitraal college (scheidsgerecht). Uit het arbitragerecht (artikel 1057 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) volgt daarbij dat bij meerderheid van stemmen wordt beslist. Daar komt volgens de OK bij dat in het arbitragerecht (art. 1057 lid 3 Rv) wordt uitgegaan van de mogelijkheid dat een minderheid het niet eens is met de (inhoud van de) uiteindelijke beslissing. In dat geval mag de minderheid van het scheidsgerecht dat in de uitspraak aangeven, en is die beslissing daarmee op zichzelf niet nietig. Volgens de OK gaat het hier dus meer om een dissenting opinion. De overige leden van de Cvv stonden namelijk (kennelijk) wel achter de inhoud van de uitspraak. Bovendien mocht Slump in de uitspraak aangeven dat zij het er niet mee eens was. Maar dit wilde zij zelf niet.

Naast het voorgaande oordeelt de OK dat de goede procesorde zich verzet tegen een ‘opzegging’ in dit stadium van de procedure. Die opzegging zou namelijk het effect hebben dat een nieuwe Cvv zou moeten worden samengesteld, een nieuwe zitting zou moeten plaatsvinden; met alle kosten – voor BJL – van dien. Niet onvermeld kan hier blijven dat de kosten voor rechtsbijstand van partijen al meer dan € 300.000,- bedroegen.

Over de overige beroepsgronden

Ook vindt de OK niet dat het beroep op één van de andere gronden van de cliëntenraad slaagt.

Aangaande de grond over het achterbancontact (beroepsgrond a) overweegt de OK dat dit BJL niet kan worden aangerekend. BJL kan immers niet zo maar gegevens van cliënten met de cliëntenraad delen. Dat is in strijd met het beroepsgeheim en de AVG. BJL heeft de cliëntenraad wel gefaciliteerd om in contact met de achterban te treden, door flyers te laten drukken en die te (laten) verspreiden. Ook is budget gesteld voor het realiseren van een website. Dat de cliëntenraad de flyers niet heeft willen laten verspreiden en de website desondanks niet is gaan gebruiken, is zijn eigen keuze. Ook een aanbod van BJL sessies te organiseren tussen cliëntenraad en achterban heeft de cliëntenraad afgewezen. De OK oordeelt dat de cliëntenraad (voldoende) is gefaciliteerd om zijn taak uit te oefenen. Er is naast een vastgesteld budget en het faciliteren van het achterbancontact ook voldoende ambtelijke ondersteuning aangeboden. Dat de cliëntenraad van die beschikbare faciliteiten geen gebruik heeft willen maken is volgens de OK eerder illustratief voor zijn opstelling.

De OK oordeelt verder – net als de Cvv – dat bij BJL ‘sprake is van een situatie waarin de cliëntenraad structureel tekortschiet in de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten wier belangen hij dient te behartigen’. Dat is de wettelijke grond voor ontbinding, verwoord in artikel 13 lid 1 van de Wmcz 2018.

De cliëntenraad gaf volgens de OK aan zijn taak al een lange tijd niet op een behoorlijke wijze vorm. Van medezeggenschap was niet of nauwelijks sprake. Zelfs een gesprek over een door BJL opgesteld concept reglement heeft de cliëntenraad geweigerd. Dit, omdat zij voorafgaand aan het gesprek met het bestuur juridisch advies over dat concept wilde inwinnen maar dit volgens BJL helemaal niet nodig was. Er waren namelijk helemaal geen discussiepunten waarvoor dit juridisch advies noodzakelijk zou zijn. De cliëntenraad heeft zich volgens de OK bij herhaling niet constructief opgesteld maar heeft veeleer een voortdurende strijd tegen BJL geleverd, met als gevolg dat de verhoudingen duurzaam en ernstig verstoord zijn geraakt. Hoewel BJL op onderdelen zelf wat onhandig heeft geopereerd ten opzichte van de cliëntenraad, ligt de schuld voor het ontsporen van de verhouding volgens de OK voor het belangrijkste deel bij de cliëntenraad. Met name diens niet constructieve manier van communiceren is daaraan debet. De (voorzitter van de) cliëntenraad heeft zijn e-mails aan BJL sinds september 2020 stelselmatig en volstrekt onnodig ook gericht aan allerlei externe betrokkenen, onder wie wethouders van de betrokken gemeenten, gemeenteraadsleden, leden van de Tweede Kamer, het Keurmerkinstituut en regionale en landelijke pers, ondanks verzoeken van BJL om externen niet telkens in de berichtgeving in te kopiëren. In die e-mails heeft hij allerhande niet onderbouwde en onjuiste beweringen verkondigd. Ook heeft hij de mededeling dat hij wegens laster en smaad strafrechtelijke aangifte tegen de bestuurder en de voorzitter van de raad van toezicht van BJL had gedaan in afschrift gestuurd aan meer dan vijftig e-mailadressen. De andere leden van de cliëntenraad hebben zich van deze handelswijze(n) niet gedistantieerd.

De conclusie van de OK is dat de cliëntenraad op onaanvaardbare wijze heeft geopereerd. De OK oordeelt mede daarom dat er redelijkerwijs geen andere oplossing was en is dan ontbinding van de cliëntenraad, gelijk overigens de Cvv. De impasse in de verhouding tussen de cliëntenraad en BJL duurde al jaren. Er had al wel bemiddeling plaatsgevonden, maar de zaak is daarna alleen maar verder geëscaleerd. Die escalatie was er mede door de strafrechtelijke aangifte tegen de bestuurder en de voorzitter van de raad van toezicht van BJL en doordat de cliëntenraad op oneigenlijke gronden heeft geweigerd gebruik te maken van aan hem geboden faciliteiten. Niet valt volgens de OK in te zien hoe de cliëntenraad in deze samenstelling en het bestuur van BJL nog effectief met elkaar vorm hadden kunnen geven aan medezeggenschap ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten. Ontbinding van de huidige cliëntenraad was en is daarom de enige mogelijkheid om de hier ontstane impasse te doorbreken.

Beschouwing en slot

De samenwerking tussen een zorgaanbieder (JBL) en cliëntenraad gaat in de meeste gevallen goed, maar soms ook niet. In onze praktijk zien wij met enige regelmaat samenwerkingen met flinke discussies. Toch hebben die discussies veelal (uiteindelijk) een bevredigende uitkomst voor beide partijen en wordt escalatie dus voorkomen.

In deze zaak is escalatie allerminst voorkomen. Interessant is dat deze uitspraak (dus) leert dat genoeg op enig moment genoeg is en dat een zorgaanbieder uiteindelijk paal en perk kan en mag stellen aan de samenwerking met de cliëntenraad door deze te ontbinden. De Wmcz 2018 schrijft voor dat daarvoor sprake moet zijn van een situatie waarin de cliëntenraad structureel tekortschiet in de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten’. Deze zaak lijkt een schoolvoorbeeld van zo’n situatie. Daarbij kan en mag niet onbenoemd blijven dat de advocaatkosten inmiddels al meer € 300.000,- beliepen. En die kosten zijn als hoofdregel voor de betrokken zorgaanbieder. Dat roept de vraag op of dit niet anders had gekund.

Verder is juridisch gezien interessant dat uit deze uitspraak ook volgt dat de procedure bij een Cvv – zoals bijvoorbeeld ook de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV) – volgens de OK in zekere mate te vergelijken is met een arbitrale procedure. En dat dus een ‘dissenting opinion’ van één van de leden een mogelijkheid is.

Deze beschikking in zijn geheel, maar ook de overwegingen over de arbitrale procedure, zullen vast meer jurisprudentie tot gevolg hebben. Wij houden de ontwikkelingen vanzelfsprekend in de gaten.

Heeft u vragen over (cliënt)medezeggenschap? Neemt u dan gerust contact op.

Interessante artikelen voor u

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?