Aanvang van de relatieve verjaringstermijn bij beroepsaansprakelijkheid

Dit artikel is op 12 november 2021 gepubliceerd door VAST 2021 / P-049, Iris Cuijpers, e-ISSN 2667-307X, M.A.D.Lex

Voor beantwoording van de vraag of een rechtsvordering is verjaard, is het van belang om vast te stellen op welk moment de benadeelde daadwerkelijk in staat was om deze vordering in te stellen. Daarvoor is bekendheid met de schade en de voor die schade aan te spreken persoon vereist. In zaken waarin het verwijt is gelegen in een beweerdelijk door een advocaat begane beroepsfout laat dit moment zich doorgaans niet eenvoudig vaststellen. Recent heeft de rechtbank Rotterdam zich gebogen over een zaak waarin vorenstaande beoordeling centraal staat.

Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade onder meer door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak gaat het daarbij om daadwerkelijke bekendheid en niet om wat bekend had moeten zijn (ECLI:NL:HR:2001:AB0900ECLI:NL:HR:2003:AF0694).

Het moment van daadwerkelijke bekendheid is door de Hoge Raad nader gedefinieerd als het moment dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen (ECLI:NL:HR:2003:AL8186). Dit is het geval wanneer het voor de benadeelde voldoende zeker is dat zijn schade werd veroorzaakt door een tekortschieten of foutief handelen van de door hem aan te spreken persoon. Van belang is dat het in dit verband nadrukkelijk niet gaat om een juridische kwalificatie. Voor de aanvang van de verjaring is het namelijk niet relevant of de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon (ECLI:NL:HR:2004:AR1739). Het gaat dus niet om een juridische, maar om een feitelijke inkleuring.

Het vorenstaande is van belang in zaken waarin het verwijt is gelegen in een beweerdelijk door een advocaat begane beroepsfout. In dergelijke zaken beschikt de benadeelde doorgaans namelijk niet over de juiste kennis of het juiste inzicht om de deugdelijkheid van het handelen van de eigen belangenbehartiger te kunnen toetsen. Onder omstandigheden is van ‘voldoende zekerheid’ aan de zijde van een benadeelde dan ook volgens de Hoge Raad pas sprake wanneer hij kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel (ECLI:NL:HR:2020:1603).

Van belang is dat het voor de voormalig cliënt voldoende duidelijk is dat zijn advocaat een fout heeft gemaakt, welke fout bovendien in schade resulteert. Recent heet de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2021:9753) zich gebogen over een zaak waarin vorenstaande beoordeling centraal staat.

Casus

In 2010 heeft de rechtbank Den Haag aan Y een gevangenisstraf van zes jaar opgelegd nu Y in 2009 een persoon met een mes in de buik heeft gestoken. Hierop heeft Y mr. X in de arm genomen. Mr. X heeft vervolgens namens Y hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van 24 juni 2011 heeft het gerechtshof Den Haag Y veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met tbs en dwangverpleging.

Y heeft na kennisname van het arrest de opdrachtrelatie met mr. X beëindigd en heeft op 12 augustus 2011 een tuchtklacht tegen mr. X ingediend. Y verwijt mr. X dat laatstgenoemde de belangen van Y in de procedure in hoger beroep niet naar behoren heeft behartigd. In de tuchtklacht heeft Y de volgende bewoordingen gebezigd; ‘door hem gekreecht TBS’ en ‘hij is antwordelleek over mijn schaad’. De Raad van Discipline heeft de klachten van Y als kennelijk ongegrond afgewezen.

Na beëindiging van de opdrachtrelatie met mr. X heeft Y cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad heeft vervolgens het arrest van het gerechtshof – uitsluitend waar het de opgelegde gevangenisstraf betrof – vernietigd en aan Y een gevangenisstraf van drie jaar en tien maanden opgelegd. Eerst op 8 oktober 2020 heeft Y een aansprakelijkstelling aan mr. X gericht.

Beoordeling door de rechtbank Rotterdam

Ten overstaan van de rechtbank Rotterdam stelt Y zich op het standpunt dat mr. X de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden nu Y niet werd gewaarschuwd voor het risico dat in hoger beroep tbs met dwangverpleging opgelegd zou kunnen worden. Y vordert vergoeding van elke extra dag (na de zes jaar die initieel door de rechtbank werden opgelegd) dat zijn vrijheidsbeneming als gevolg van de tbs-maatregel is voortgezet.

Als verstrekkendste verweer heeft mr. X aangevoerd dat de beweerdelijke vordering van Y is verjaard. Volgens mr. X was Y direct na het arrest van het gerechtshof bekend met de schade en de daarvoor aan te spreken persoon. Bij dit arrest werd namelijk aan Y de tbs-maatregel opgelegd. Bovendien heeft Y nog geen twee maanden na het arrest van het gerechtshof een tuchtklacht tegen mr. Y ingesteld.

Y stelt zich op het standpunt dat hij eerst enkele maanden voorafgaand aan de onderhavige procedure bekend is geraakt met de omstandigheid dat mr. X de voor de door Y gestelde schade aan te spreken persoon betreft. Weliswaar werden in de tuchtprocedure klachten gericht tegen de wijze van belangenbehartiging door Y, maar deze klachten zouden volgens Y enkel zien op de procedure bij het gerechtshof en niet de advisering die voorafging aan het instellen van deze procedure.

De rechtbank volgt vorenstaande stelling van Y niet en oordeelt dat de rechtsvordering van Y is verjaard. Een en ander nu de zorgplichtschending volgens Y wordt gevormd door de omstandigheid dat mr. X hem niet heeft gewezen op het risico dat in hoger beroep tbs met dwangverpleging zou kunnen worden opgelegd. Op het moment dat bij arrest de tbs-maatregel werd opgelegd, was het dan ook volgens de rechtbank voor Y duidelijk dat mr. X hem beweerdelijk niet op dit risico had gewezen. Uit de tuchtklacht van Y volgt bovendien dat Y mr. X kort na het arrest van het gerechtshof daadwerkelijk verantwoordelijk hield voor de aan hem opgelegde tbs-maatregel.

Dat het direct na de oplegging van de tbs-maatregel voor Y niet duidelijk was dat het verwijt van Y aan het adres van mr. X juridisch bezien als een schending van de op een advocaat rustende zorgplicht kwalificeert, is voor de vaststelling van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn niet relevant. In dat verband herhaalt de rechtbank een rechtsoverweging die door de Hoge Raad in 2004 aan het papier werd toevertrouwd (ECLI:NL:HR:2004:AR1739, zie hiervoor). Zo geeft zij te kennen dat het verlangen van een juridische beoordeling niet in overeenstemming is met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard. Het stellen van een dergelijke eis leidt bovendien tot rechtsongelijkheid nu juridische kennis niet in gelijke mate bij eenieder aanwezig is. Dit maakt dat het volgens de rechtbank in strijd met de rechtszekerheid is wanneer het aanvangsmoment van de verjaring afhankelijk wordt gesteld van het tijdstip waarop de benadeelde juridisch advies inwint.

Nuance: aanbeveling voor de praktijk

Met deze laatste passage miskent de rechtbank mijns inziens dat zoals vorenstaand besproken – onder omstandigheden de aanvang van de verjaringstermijn wel afhankelijk kan worden gesteld van het moment waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van een juridisch advies. In casu doet deze nuance zich echter niet voor nu gezien de aard van het verwijt het voldoende duidelijk is dat Y reeds bij kennisname van het arrest en in ieder geval bij het formuleren van de tuchtklacht bekend was met de schade en de daarvoor aan te spreken persoon. In andere gevallen van beroepsaansprakelijkheid, kan deze nuance met betrekking tot het aanvangsmoment van de verjaring echter wel van doorslaggevend belang zijn.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?