Rechtbank Den Haag 26 januari 2026 ECLI:NL:RBDHA:2026:1214
Publicatiedatum: 29 januari 2026
Zorginkoopprocedure waarin een VPT-zorgaanbieder vordert dat de zorgverzekeraar een nieuwe gunningsbeslissing neemt. De zorgverzekeraar heeft de zorgaanbieder geen overeenkomst voor het leveren van zorg aangeboden. De rechtbank oordeelt dat op goede gronden is besloten om de zorgaanbieder geen overeenkomst voor het leveren van VPT-zorg aan te bieden. Het inkoopbeleid van de zorgverzekeraar is voldoende transparant en de gunningsbeslissing is in lijn met het inkoopbeleid. De vordering wordt afgewezen. De plannen van de zorgaanbieder voor het realiseren van deze woonzorglocatie zijn, in strijd met het inkoopbeleid, niet vooraf ter toetsing aan de zorgverzekeraar voorgelegd. De zorgaanbieder voert aan dat sprake is van een capaciteitstekort in VPT-zorg, maar dit kan (in dit kort geding) niet worden bewezen.
Rechtbank Den Haag 7 november 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:21210
Publicatiedatum: 5 januari 2026
Geschil tussen zorgverlener en zorgverzekeraar over de vergoeding van de medisch specialistische zorg die verleend wordt aan verzekerden met een vitamine B12-tekort. De zorgverzekeraar heeft zich beroepen op het standpunt dat de zorgaanbieder geen verzekerde zorg levert als bedoelt in de Zorgverzekeringswet en het Besluit zorgverzekering, waardoor zowel de eerste consulten als de vervolgconsulten niet langer worden vergoed. De rechtbank oordeelt dat het vergoedingsbeleid onrechtmatig is voor zover daarin is bepaald dat de eerste consulten na verwijzing niet worden vergoed. De zorgverzekeraar kon niet terecht tot de conclusie komen de zorgaanbieder zich bij het stellen van een diagnose niet aan de NHG-richtlijnen houdt. Voor de vervolgconsulten geldt dat zorgverzekeraar zich – bij het ontbreken van een specialistenrichtlijn of andere nationale richtlijnen hieromtrent – op basis van de overweging van het ZIN in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat behandeling en controle van een vitamine B12-tekort bij de huisarts plaatsvindt, tenzij de huisarts meent dat (terug)verwijzing naar een medisch specialist noodzakelijk is. Dit brengt mee dat indien een dergelijke verwijzing ontbreekt de zorgverzekeraar de vergoeding van de vervolgconsulten bij de zorgaanbieder kan afwijzen op grond van de conclusie dat niet is gebleken dat de verzekerde redelijkerwijs op die consulten is aangewezen.