Nieuws

Update rechtspraak Gezondheidsrecht januari 2026

Gepubliceerd op 5 feb 2026

Update rechtspraak Gezondheidsrecht januari 2026

Deze update omvat een selectie van uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht die in de maand januari op www.rechtspraak.nl zijn gepubliceerd. Elke uitspraak is voorzien van een inhoudsindicatie en een link naar de volledige uitspraak.

Rechtbank Oost-Brabant 4 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8463

Publicatiedatum:19 januari 2026

Een verzoek ter wijziging van het geslacht in geboorteakte van een 13-jarige minderjarige van ‘V’ naar ‘M’. Op basis van artikel 1:28 lid 1 kan een verzoek tot wijziging van geslacht, worden verzocht door iemand van zestien jaar of ouder. In onderhavige zaak doen de ouders van de minderjarige het  verzoek. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse wet hiervoor geen mogelijkheid biedt, maar de rechtbank moet niet alleen aan de Nederlandse wet toetsen, maar ook aan Europese wet- en regelgeving. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat het recht op genderidentiteit een fundamenteel element van artikel 8 EVRM vormt en één van de meest intieme aspecten van het privéleven is. De grens voor het indienen van het verzoek tot wijziging van het geslacht vormt geen gerechtvaardigde inbreuk op het recht van de minderjarige op genderidentiteit, mede gezien de minderjarige ook al zelf toestemming geeft voor het aangaan van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (voor medische behandelingen gericht op de transitie). Uit de WGBO (artikel 7:450 lid 1 en lid 2 BW) blijkt dat een minderjarige in de leeftijd van 12 tot en met 15 jaar, mits wilsbekwaam, naast zijn ouders met gezag zélf toestemming moet geven voor een medische behandeling. Daarnaast is de grens van zestien nog fluïde en heeft ten doel dat er voor de ambtenaar van de burgerlijke stand geen beoordelingsmoment bestaat, waarvan in dit geval geen sprake door het oordeel van de rechtbank inzake. Gezien er geen gerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt, wordt het verzoek tot wijziging gehonoreerd.

Rechtbank Den Haag 26 januari 2026 ECLI:NL:RBDHA:2026:1214

Publicatiedatum: 29 januari 2026

Zorginkoopprocedure waarin een VPT-zorgaanbieder vordert dat de zorgverzekeraar een nieuwe gunningsbeslissing neemt.  De zorgverzekeraar heeft de zorgaanbieder geen overeenkomst voor het leveren van zorg aangeboden. De rechtbank oordeelt dat op goede gronden is besloten om de zorgaanbieder geen overeenkomst voor het leveren van VPT-zorg aan te bieden. Het inkoopbeleid van de zorgverzekeraar is voldoende transparant en de gunningsbeslissing is in lijn met het inkoopbeleid. De vordering wordt afgewezen. De plannen van de zorgaanbieder voor het realiseren van deze woonzorglocatie zijn, in strijd met het inkoopbeleid, niet vooraf ter toetsing aan de zorgverzekeraar voorgelegd. De zorgaanbieder voert aan dat sprake is van een capaciteitstekort in VPT-zorg, maar dit kan (in dit kort geding) niet worden bewezen.

Rechtbank Den Haag 7 november 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:21210

Publicatiedatum: 5 januari 2026

Geschil tussen zorgverlener en zorgverzekeraar over de vergoeding van de medisch specialistische zorg die verleend wordt aan verzekerden met een vitamine B12-tekort. De zorgverzekeraar heeft zich beroepen op het standpunt dat de zorgaanbieder geen verzekerde zorg levert als bedoelt in de Zorgverzekeringswet en het Besluit zorgverzekering, waardoor zowel de eerste consulten als de vervolgconsulten niet langer worden vergoed. De rechtbank oordeelt dat het vergoedingsbeleid onrechtmatig is voor zover daarin is bepaald dat de eerste consulten na verwijzing niet worden vergoed. De zorgverzekeraar kon niet terecht tot de conclusie komen de zorgaanbieder zich bij het stellen van een diagnose niet aan de NHG-richtlijnen houdt. Voor de vervolgconsulten geldt dat zorgverzekeraar zich – bij het ontbreken van een specialistenrichtlijn of andere nationale richtlijnen hieromtrent – op basis van de overweging van het ZIN in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat behandeling en controle van een vitamine B12-tekort bij de huisarts plaatsvindt, tenzij de huisarts meent dat (terug)verwijzing naar een medisch specialist noodzakelijk is. Dit brengt mee dat indien een dergelijke verwijzing ontbreekt de zorgverzekeraar de vergoeding van de vervolgconsulten bij de zorgaanbieder kan afwijzen op grond van de conclusie dat niet is gebleken dat de verzekerde redelijkerwijs op die consulten is aangewezen.

Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:62

Publicatiedatum: 16 januari 2026

Erfgenaam verleende via thuiszorgorganisatie zorg aan erflater vanaf 2014 en trouwde met hem in 2016. Kinderen van erflater vorderen verklaring voor recht dat erfgenaam op grond van artikel 4:59 lid 1 BW geen rechten kan ontlenen aan testament uit 2015. De erfgenaam gaat in beroep. Artikel 4:59 lid 1 BW bepaalt dat de beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend geen voordeel kunnen trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt. Artikel 4:60, aanhef en onder b, BW maakt op artikel 4:59 lid 1 BW een uitzondering voor beschikkingen ten voordele van iemand die bloed- of aanverwant tot de vierde graad of de echtgenoot van de erflater is. Voor de uitzondering is de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van opmaken van de uiterste wilsbeschikking bepalend. Voor wie als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 BW moet worden aangemerkt, niet beslissend is of zij BIG-geregistreerd was. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Gerechtshof Den Haag 13 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:4

Publicatiedatum: 20 januari 2026

Kort geding over vraag of de aanwijzing van de minister aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om niet handhavend op te treden tegen invoer van daartoe aangewezen geneesmiddelen uit het buitenland tegenover een Nederlandse apotheker, die in deze geneesmiddelen wil voorzien door deze zelf te bereiden, onrechtmatig is. Omdat de aanwijzing is komen te vervallen, oordeelt het hof dat het spoedeisend belang aan de vorderingen is komen te vervallen.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief