Nieuws
Opname 112-melding hoeft niet aan OM te worden verstrekt
Gepubliceerd op 23 apr 2026
Op 14 april jl. verklaarde de rechtbank Noord-Nederland een klaagschrift van de Meldkamer Ambulancezorg gegrond. Dat betekent dat de meldkamer niet de door het Openbaar Ministerie (OM) gevorderde bandopname van de 112-melding aan het OM hoeft te verstrekken.
Wat was er gebeurd?
In een strafrechtelijk onderzoek naar de moord op een 34-jarige man uit Assen heeft de officier van justitie op 23 september 2025 op grond van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de Meldkamer Ambulancezorg verzocht de bandopname te verstrekken van een 112-melding. Deze 112-melding was gedaan door de moeder van de verdachte in dit strafrechtelijke onderzoek, zulks in het bijzijn van verdachte zelf en haar vader, nadat de moeder het levenloze lichaam van de man had aangetroffen. De rechter-commissaris verleende op 23 september 2025 de officier van justitie de machtiging.
De Meldkamer Ambulancezorg was het met deze vordering niet eens en diende op grond van artikel 552a Sv, in samenhang met de artikelen 126nf Sv, 96a Sv, derde lid, en 98 Sv een klaagschrift in. De meldkamer voerde in dat verband aan dat medewerkers van de ambulancedienst op de meldkamer een beroepsgeheim of afgeleid beroepsgeheim hebben op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Boek 7, titel 7, afd. 5, van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en op grond van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Verschoningsgerechtigden zijn niet verplicht aan een vordering ex artikel 126nf Sv te voldoen voor zover het verschoningsrecht aan de verstrekking van de gegevens in de weg staat. De meldkamer heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde gegevens onder het (afgeleid) beroepsgeheim van (de medewerkers van) de ambulancedienst vallen en dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat het belang van de waarheidsvinding in deze situatie moet prevaleren boven het verschoningsrecht.
Het feit dat verdachte, de moeder van verdachte en de nabestaanden van het slachtoffer hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het verstrekken van de gevorderde gegevens, maakt niet dat kan worden verondersteld dat ook het slachtoffer bij leven hiervoor toestemming zou hebben gegeven. Deze omstandigheid is wel meegenomen in de belangenafweging, maar maakt volgens de meldkamer niet dat het verschoningsrecht in deze situatie kan worden doorbroken. Het algemene belang dat mensen vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, contact moeten kunnen opnemen met de 112-meldkamer dient alsnog te prevaleren.
De beoordeling van het klaagschrift
De rechtbank stelde ter beoordeling voorop dat eenieder die is ingeschreven in een op grond van de Wet BIG gehouden register, verplicht is geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. Dit volgt uit artikel 88 Wet BIG en uit artikel 7:457 BW. De centralist op de meldkamer ambulancezorg is zo’n op grond van de Wet BIG geregistreerde verpleegkundige. Op die centralist rust dan ook een geheimhoudingsplicht met een daaraan gekoppeld verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv.
De rechtbank oordeelt ook dat het feit dat zowel de verdachte in de onderliggende strafzaak als de nabestaanden van het slachtoffer te kennen hebben gegeven geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens, niet vanzelf met zich meebrengt dat een verschoningsgerechtigde verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een vordering. De inschatting of sprake is van veronderstelde toestemming van het slachtoffer en of het verschoningsrecht moet worden gehandhaafd, is primair voorbehouden aan de verschoningsgerechtigde(n) en kan de rechtbank slechts marginaal toetsen. Het oordeel van de meldkamer dat in deze situatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake zou zijn geweest van toestemming van het slachtoffer, kwam de rechtbank niet kennelijk onredelijk voor. Dat betekende dat het verschoningsrecht niet reeds kan worden doorbroken enkel vanwege het feit dat zowel verdachte als de nabestaanden van het slachtoffer toestemming hebben gegeven voor openbaarmaking van de inhoud van het 112-gesprek.
Geen sprake van prevaleren waarheidsvinding boven het verschoningsrecht
De rechtbank ging vervolgens over tot de beoordeling van de vraag of zich in deze kwestie dan zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waaruit moet volgen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. In dat verband toetste de rechtbank aan de aard en zwaarte van het delict, de aard en de omvang van de gegevens, de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen en de mate waarin de betrokken belangen worden geschaad, indien het verschoningsrecht wordt doorbroken.
Volgens de rechtbank stond buiten twijfel dat de aard en zwaarte van het vermoede delict – moord – een doorbreking van het verschoningsrecht zou kunnen rechtvaardigen. Daarentegen oordeelde de rechtbank ook dat de gevorderde gegevens niet strikt noodzakelijk zijn om de waarheid aan het licht te brengen. Zo zijn er over de 112-melding reeds verklaringen van de moeder en vader van de verdachte. De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de onderliggende strafzaak tegen verdachte een uitvoerig einddossier is opgesteld, waarin verschillende potentiële bewijsmiddelen zijn opgenomen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de van de meldkamer gevorderde gegevens andere, nieuwe of aanvullende informatie bevatten die zodanig cruciaal is dat gesproken kan worden van een zeer uitzonderlijke omstandigheid waarin de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het verschoningsrecht dat de meldkamer toekomt. Dat de gevorderde bandopname van het 112-gesprek het wellicht mogelijk maakt om de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd (nader) te toetsen, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend. Andere zeer uitzonderlijke, zwaarwegende omstandigheden die zouden nopen tot doorbreking van het verschoningsrecht zijn gesteld noch gebleken. Op grond van het hiervoor overwogene achtte de rechtbank het beklag daarom gegrond.
Dit artikel is geschreven door Rolinka Wijne. Meer weten? Neem dan contact op.
Onze mensen
Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.
Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.