Nieuws

Kwartaalupdate franchise 2025 (3/4 en 4/4)

Gepubliceerd op 5 feb 2026

Kwartaalupdate franchise 2025 (3/4 en 4/4)

Deze update omvat een selectie van uitspraken op het gebied van franchise die in het derde en vierde kwartaal van 2025 op www.rechtspraak.nl  zijn gepubliceerd. Elke uitspraak is voorzien van een korte toelichting met tips en lessen voor de praktijk en een link naar de volledige uitspraak. 

Wat speelde er?

ASN Groep (franchisegever) liet na invoering van de Wet franchise, een herziene franchiseovereenkomst ondertekenen door haar franchisenemers. Onder de oude overeenkomst gold geen postcontractueel non-concurrentieverbod, maar in de nieuwe versie werd een non-concurrentiebeding opgenomen welke geldig was tot één jaar na beëindiging van de overeenkomst. Ook het relatiebeding werd aangescherpt: na het einde van de overeenkomst mochten franchisenemers geen zakelijke relaties meer onderhouden met (voormalige) relaties van de franchisegever, ongeacht wie het initiatief nam.

De franchisenemers tekenden in eerste instantie, maar zeggen later, tegen 31 oktober 2025, de franchiseovereenkomst op. De franchisegever stelde vervolgens dat zij na beëindiging van de overeenkomst aan die postcontractuele bedingen gebonden waren. De franchisenemers vorderden daarop in kort geding schorsing/buiten werkingstelling van die bedingen.

Oordeel

De voorzieningenrechter oordeelt dat de herziene overeenkomst op dit punt neerkwam op een wezenlijke verslechtering van de rechtspositie van de franchisenemers. In dit geval geldt dan een stevige informatieplicht: franchisenemers moeten tijdig, rechtstreeks en duidelijk worden geïnformeerd zodat zij de gevolgen voor hun onderneming kunnen overzien. Overleg in een franchiseraad of een algemene boodschap dat er feitelijk weinig verandert, was hier onvoldoende.

Gevolg in dit kort geding:

het verzwaarde non-concurrentiebeding werd geschorst, dus voorlopig niet afdwingbaar, totdat in de aankomende bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld;

Het relatiebeding werd eveneens, voorlopig, geschorst. De rechter rekende dit beding ook onder de reikwijdte van art. 7:920 lid 2 BW en vond het probleem dat de franchisegever niet concreet maakte welke beschermenswaardige knowhow zo’n beding onmisbaar maakte. 

Lessen voor de praktijk

Voor franchisegevers is dit een duidelijke waarschuwing: Als je bedingen in een franchiseovereenkomst wijzigt en verzwaart, moet je dat expliciet en aantoonbaar communiceren aan iedere franchisenemer en niet enkel via een orgaan of in algemene bewoordingen.

Wees alert op het feit dat relatiebedingen langs dezelfde lat kunnen worden gelegd als postcontractuele non-concurrentiebedingen, inclusief de eis dat het beding onmisbaar is ter bescherming van concrete knowhow.

Dossierbouw is tot slot belangrijk: stuur een duidelijke brief of e-mail met de wijzigingen en de gevolgen, leg de ontvangst vast, geef reële beoordelingstijd, en noteer concreet welke knowhow je beschermt en waarom dat zonder beding niet kan.

Voor franchisenemers:

Laat een aangepaste overeenkomst altijd toetsen; verzwaarde exit-beperkingen zijn niet vanzelfsprekend geldig of afdwingbaar.

Als je onvoldoende en/of te laat bent geïnformeerd over ingrijpende wijzigingen, heb je in een juridische procedure als franchisenemer vaak meer rechtsbescherming dan je denkt.

Lees de gehele uitspraak hier.

Wat speelde er?

Albert Heijn Franchising B.V. (“AHF”) had met een franchisenemer een franchiseovereenkomst gesloten voor het exploiteren van een supermarkt onder de Albert Heijn-formule. 

De overeenkomst verplichtte franchisenemer tot naleving van de Albert Heijn-formule, waaronder huisstijl, assortiment, prijsstelling en inkoop via AHF. Vanaf 2022 signaleerde AHF ernstige tekortkomingen in de winkel: slechte hygiëne, veiligheid, presentatie, personeelstekort, onjuiste prijsaanduidingen en structurele exploitatieproblemen. Ondanks herhaalde waarschuwingen, ondersteuning en een plan van aanpak, bleven de tekortkomingen bestaan. In mei 2024 werd door de verhuurder beslag gelegd op de bankrekening van franchisenemer, waardoor een factuur vanuit AHF niet kon worden betaald. AHF legde een leveringsstop op en ontbond op 23 mei 2024 de franchiseovereenkomst, waarna de winkel direct werd gesloten.

Franchisenemer storneerde vijftien facturen en betwistte onder andere de rechtmatigheid van de ontbinding. Beide partijen vorderden schadevergoeding: AHF voor gederfde franchise fee, franchisenemer voor misgelopen omzet, kosten en onrechtmatig gelegde beslagen.

Oordeel

De rechtbank oordeelt dat AHF gerechtigd was om zowel de leveringsstop toe te passen als de franchiseovereenkomst te ontbinden. Volgens de rechtbank is sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de franchisenemer, die de door AHF genomen maatregelen rechtvaardigt.

Van een tekortkoming door AHF zelf is geen sprake. De rechtbank volgt AHF in haar standpunt dat zij binnen de contractuele kaders heeft gehandeld. De vordering van AHF tot betaling van het openstaande factuurbedrag wordt daarom toegewezen, terwijl de vorderingen van de franchisenemer worden afgewezen.

Lessen voor de praktijk

Deze uitspraak bevat met name voor franchisegevers én franchisenemers belangrijke aandachtspunten:

  • De zorgplicht van de franchisegever is niet onbegrensd en strekt niet tot eindeloze begeleiding wanneer structurele tekortkomingen bij de franchisenemer blijven bestaan. Als de franchisegever herhaaldelijk waarschuwt, ondersteuning biedt en reële herstelkansen geeft, mag zij concluderen dat haar zorgplicht is nagekomen.
  • Een leveringsstop en daaropvolgende ontbinding zijn gerechtvaardigd wanneer sprake is van ernstige en voortdurende contractuele tekortkomingen en niet‑betaling door de franchisenemer. Let wel; als slechts sprake is van één niet betaalde factuur, dan kan een daarop volgende leveringstop wél in strijd zijn met goed franchisegeverschap en de redelijkheid & billijkheid.

Lees de gehele uitspraak hier.

Wat speelde er?

Een horecaondernemer sloot een franchiseovereenkomst met pizzaketen De Pizzabakkers. Na de start bleven de resultaten echter sterk achter bij de verstrekte omzetprognoses, waarop De Pizzabakkers de franchiseovereenkomst niet wilde verlengen. Franchisenemer heeft vervolgens tientallen facturen van De Pizzabakkers onbetaald gelaten. 

Franchisenemer stelt dat hij de franchiseovereenkomst onder invloed van dwaling heeft gesloten omdat achteraf blijkt dat het onmogelijk is om op die locatie een rendabel pizzarestaurant te exploiteren. Volgens franchisenemer had de franchisegever dit ook moeten weten. Op die grond vorderde hij vernietiging van de franchiseovereenkomst en schadevergoeding. Daarnaast voerde franchisenemer aan dat de franchisegever onrechtmatig had gehandeld door ondeugdelijke prognoses te verstrekken. 

De franchisegever betwistte dat sprake was van dwaling of onrechtmatig handelen en stelde dat prognoses geen garanties zijn en zorgvuldig tot stand waren gekomen.

Oordeel

De rechtbank wijst de vorderingen van de franchisenemer af. Volgens de rechtbank leveren tegenvallende exploitatieresultaten op zichzelf geen bewijs op dat de verstrekte prognoses ondeugdelijk of misleidend waren.

De franchisenemer heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat de prognoses fouten bevatten of gebaseerd waren op onjuiste uitgangspunten. Ook is niet gebleken dat de franchisegever relevante informatie heeft achtergehouden. Van dwaling of onrechtmatig handelen is daarom geen sprake.

Lessen voor de praktijk

Deze uitspraak bevat belangrijke aandachtspunten voor zowel franchisegevers als franchisenemers:

  • Omzetprognoses zijn geen garanties. Dat de omzet achterblijft bij verwachtingen betekent niet automatisch dat de prognoses onjuist of onrechtmatig zijn.
  • Een beroep op dwaling vereist een concrete onderbouwing. Een franchisenemer moet in ieder geval aantonen waarom een prognose ondeugdelijk is, bijvoorbeeld door aan te wijzen welke aannames feitelijk onjuist waren of welke informatie ontbrak. Er is dan sprake van een onjuiste inlichting of ongeoorloofd zwijgen.

Lees de gehele uitspraak hier.

In een recente uitspraak kreeg de rechtbank Den Haag de vraag voorgelegd of een bestuurder persoonlijk kan worden aangesproken wegens te rooskleurige informatie over een franchiseformule. De franchisenemer stelde dat de bestuurder bewust misleidende resultaten had gepresenteerd en dat zij daardoor schade had geleden. De vennootschappen achter de franchiseformule waren inmiddels failliet.

De rechtbank maakt korte metten met de vordering. Persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders is een uitzondering en vereist dat de bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Daarvan was hier geen sprake: de franchisenemer onderbouwde onvoldoende dat de bestuurder doelbewust verkeerde of misleidende informatie verstrekte. Het faillissement van de vennootschappen verandert dat niet.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak bevestigt opnieuw dat franchisenemers die een bestuurder van de franchisegever persoonlijk willen aanspreken, met een sterke onderbouwing moeten komen. Enkel teleurstellende resultaten of een tegenvallende exploitatie zijn onvoldoende. Misleidende prognoses kunnen mogelijk de vennootschap (franchisegever) worden verweten, maar niet automatisch de bestuurder. 

Les voor de praktijk: Voor franchisegevers is het cruciaal om bij het verstrekken van omzetverwachtingen en prognoses richting (aspirant-)franchisenemers de juiste zorgvuldigheid te betrachten. Allereerst dient expliciet duidelijk te zijn dat dergelijke prognoses slechts een indicatie vormen en geen garantie op toekomstige resultaten bieden. Dit voorkomt dat er onbedoeld verwachtingen ontstaan waar de franchisegever later op aangesproken kan worden. Let wel; het verstrekken van een prognose is niet verplicht. 

Lees de gehele uitspraak hier.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief