Nieuws

Fiscale wijzigingen 2026: de belangrijkste ontwikkelingen in een vogelvlucht

Gepubliceerd op 6 jan 2026

Fiscale wijzigingen 2026: de belangrijkste ontwikkelingen in een vogelvlucht

Op 16 december 2026 zijn de zeven wetsvoorstellen van het pakket Belastingplan 2026 aangenomen. Daarnaast werden vijf moties aangenomen, waaronder een motie gericht op het terugdringen van de complexiteit van het belastingstelsel.

Hoewel grote stelselherzieningen vooralsnog zijn uitgesteld – zie daarover ook het artikel op de voorpagina van het Financieele Dagblad van 1 januari 2026 – zijn per 2026 wel degelijk diverse fiscale wetswijzigingen en beleidsaanpassingen in werking getreden. Deze hebben, mede door de demissionaire status van het kabinet, overwegend een beperkt en terughoudend karakter, maar zullen in de praktijk niettemin hun uitwerking hebben voor ondernemers, DGA’s en investeerders.

In deze blog zetten wij de belangrijkste fiscale wijzigingen per 2026 op een rij, met waar relevant een doorkijkje naar aankomende wetgeving en recente rechtspraak.

Box 2

In het Belastingplan 2025 was voorgesteld de lucratief belang regeling aan te passen. De voordelen voor private equity-managers zouden voortaan belast worden in box 2 tegen een tarief van 36% (was 31% in 2025), waarmee dit gelijk komt te liggen met het belastingtarief in box 3. Tijdens de parlementaire behandeling is besloten dat deze voorgestelde aanpassing géén doorgang vindt en wordt uitgesteld tot 1 januari 2028.

Box 3

De invoering van het nieuwe box 3-stelsel, waarin belasting wordt geheven op basis van het werkelijk rendement, is nog steeds voorzien per 2028. Met ingang van 2026 zijn er wel aanpassingen in de huidige regeling doorgevoerd. Zo is de tegenbewijsregeling per 1 januari 2026 uitgebreid, en moet ook eigen gebruik van onroerend goed worden meegenomen.

Daarnaast was een verhoging van het forfaitaire rendement voor overige bezittingen van 5,88% naar 7,78% en een verlaging heffingsvrije vermogen naar € 51.396 voorzien. Deze aanpassingen zijn echter grotendeels teruggedraaid: het forfaitaire rendement voor overige bezittingen is per 2026 (slechts) verhoogd naar 6%, en het heffingsvrije vermogen is verhoogd naar € 59.357 (dat was € 57.684 in 2025). Het terugdraaien van deze wijziging wordt gecompenseerd door de Wet Hillen versneld af te bouwen (in 2041 in plaats van in 2048).

Bedrijfsopvolging

Per 1 januari 2026 zijn diverse aanpassingen in de bedrijfsopvolgingsregelingen (de doorschuifregeling (DSR) voor de inkomstenbelasting en de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voor de schenk- en erfbelasting) van kracht geworden. Het gaat onder meer om maatregelen die zogenoemde ‘rollatorinvesteringen’ en ‘dubbel-BOR-constructies’ tegengaan.

Van belang voor de praktijk is dat eind 2025 een nota van wijziging op het Belastingplan 2026 is gepubliceerd waarin is opgenomen dat de voorziene beperking van de BOR tot -kortweg- minimaal 5% gewone aandelen, de invoering van de zogenoemde familietoets en de verruiming van de verwateringsregeling vooralsnog géén doorgang vinden.

Ontwikkelingen rondom schijnzelfstandigheid

Op 1 januari 2026 zou de zachte landing van de afschaffing van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid eindigen. Te elfder ure ontstond daarover nog commotie in de Tweede Kamer met als uitkomst dat er in 2026 nog geen verzuimboetes zullen worden opgelegd en dat een eventuele controle voorafgegaan wordt door een bedrijfsbezoek. Dit is cosmetica; er wordt gewoon gehandhaafd. In 2025 zijn er ruim 1.000 bedrijfsbezoeken afgelegd en bijna 300 controles ingesteld. Verwacht mag worden dat deze aantallen in 2026 hoger zullen liggen.

De jurisprudentie zal ook in 2026 blijven komen. Naar verwachting zal het Hof Amsterdam op 27 januari 2026 uitspraak doen over de status van Uber-taxichauffeurs. Centraal staat de vraag of twee personen toch hetzelfde werk kunnen doen, ook al doet de ene dat als werknemer en de andere als zzp'er, waarbij dan het verschil wordt gemaakt door het externe ondernemerschap van de zzp'er.

De ontwikkelingen in de jurisprudentie tot nu toe zijn inmiddels in kaart gebracht door de Universiteit van Amsterdam. Dan blijkt dat er verschillen zijn tussen enerzijds de theorie zoals die is geformuleerd door de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest en anderzijds de toepassing daarvan in de lagere jurisprudentie. Interessant is om te zien hoe zich dit verder gaat ontwikkelen.

Ook in 2026 zal er meer helderheid komen over het voorstel voor een Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Stand van zaken hier is dat de Tweede Kamer over dit voorstel een aantal vragen heeft gesteld op 8 oktober 2025. De bal ligt nu bij het kabinet om deze vragen te beantwoorden, maar heel veel haast lijkt men niet te hebben. Ook nog in de pijplijn zit het voorstel voor een Zelfstandigenwet van de VVD, het CDA, SGP en D66. Dat voorstel is echter nog niet eens ingediend bij de Tweede Kamer. Wellicht wordt gekeken om beide voorstellen in elkaar te schuiven in het kader van de formatie, maar ook dan zullen deze voorstellen waarschijnlijk niet de duidelijkheid bieden die zij beogen.

De eerste naheffingen zijn – of althans lijken – inmiddels een feit te zijn. Er worden bedragen tot EUR 10 miljoen genoemd in de bouwsector. Dit soort berichten zullen – naar wij verwachten – ook in 2026 komen.

Medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups

Het kabinet werkt aan een gerichte fiscale regeling om medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups aantrekkelijker te maken. Toegang tot (internationaal) talent wordt gezien als een belangrijke succesfactor, waarbij een fiscaal gunstige aandelenoptieregeling kan bijdragen aan het aantrekken en behouden van werknemers.

De beoogde regeling, die naar verwachting per 1 januari 2027 in werking treedt, kent twee belangrijke pijlers. Ten eerste wordt het heffingsmoment uitgesteld tot het moment waarop de uit aandelenopties verkregen aandelen daadwerkelijk worden vervreemd, zodat belastingheffing pas plaatsvindt wanneer liquide middelen beschikbaar zijn. Ten tweede wordt de belastinggrondslag beperkt tot 65% van de waarde, waardoor de effectieve belastingdruk daalt van 49,5% naar circa 32%, vergelijkbaar met het box 2-tarief.

De regeling is bedoeld voor jonge, niet-beursgenoteerde ondernemingen met een innovatief en schaalbaar bedrijfsmodel. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal toetsen of aan deze voorwaarden wordt voldaan en verstrekt hiervoor beschikkingen met een beperkte geldigheidsduur. Het wetsvoorstel wordt in 2026 verder uitgewerkt en gaat naar verwachting begin dat jaar in internetconsultatie.

Aanpassingen RVU-drempelvrijstelling en eindheffingstarief

De tijdelijke RVU‑drempelvrijstelling zou gelden tot en met 2025. Door de drempelvrijstelling hoeft de pseudo‑eindheffing van 52% niet te worden betaald, voor zover de betalingen in het kader van de RVU onder het bedrag van de drempelvrijstelling blijven en worden uitgekeerd in de periode van 36 maanden voor de AOW-leeftijd.

Het kabinet en sociale partners hebben echter afgesproken de RVU-drempelvrijstelling vanaf 2026 structureel voort te zetten. Het bedrag van de RVU-drempelvrijstelling is voor 2026 vastgesteld op € 2.657 per maand. Het tarief van de pseudo-eindheffing voor een RVU-uitkering boven de RVU-drempelvrijstelling wordt stapsgewijs verhoogd. In 2026 wordt het tarief verhoogd naar 57,7%. In 2027 vindt een verdere verhoging plaats naar 64%. In 2028 geldt het maximale percentage van 65%. Met dit verhoogde tarief wordt een RVU‑uitkering boven de RVU-drempelvrijstelling extra ontmoedigd.

Expatregeling (voorheen 30%-regeling): geen wijziging in 2026

In 2025 en 2026 blijft de belastingvrije vergoeding onder de expatregeling maximaal 30%. Vanaf 2027 wordt dit verlaagd naar maximaal 27%. Ook gaat in 2027 een hogere salarisgrens gelden. Voor werknemers die de expatregeling al in 2023 zijn gaan gebruiken, geldt een overgangsregeling.

Wijziging van belastingverdrag met Duitsland

Met ingang van 1 januari 2026 treedt het gewijzigde belastingverdrag met Duitsland in werking. Vanaf deze datum geldt onder meer een “thuiswerkdrempel”. Deze thuiswerkdrempel houdt in dat werknemers die in het ene land wonen en in het andere land werken, tot maximaal 34 dagen per kalenderjaar kunnen thuiswerken zonder dat dit gevolgen heeft voor de belastingheffing over hun loon. Het volledige loon wordt dan belast in het werkland. Er is sprake van een thuiswerkdag als de werknemer op die dag meer dan 30 minuten thuiswerkt.

Aftrekbeperking gemengde kosten aangepast

Per 2026 wordt bij de aftrekbeperking voor gemengde kosten aangesloten bij het loon waarover daadwerkelijk loonbelasting is geheven. Dit zorgt voor een betere aansluiting bij de praktijk en voorkomt een te ruime grondslag.

Overgangsrecht en definitie fonds voor gemene rekening (FGR)

De per 2025 gewijzigde definitie van het fonds voor gemene rekening heeft in de praktijk tot onzekerheid geleid over de fiscale kwalificatie van diverse fondsen. Om onbedoelde fiscale gevolgen en onnodige administratieve lasten te voorkomen, is het overgangsrecht verruimd, waardoor bepaalde fondsen de fiscale behandeling van vóór 2025 kunnen voortzetten in 2026.

Daarnaast is een internetconsultatie gestart voor een aanpassing van de FGR-definitie. Daarbij wordt onder meer gekeken naar het loslaten van de strikte koppeling met Wft-begrippen en de introductie van een keuzeregeling voor kleinere fondsen. Eventuele wetswijzigingen worden niet eerder dan per 1 januari 2027 verwacht.

Rapportage- en informatieverplichtingen: crypto’s en minimumbelasting

Per 2026 worden de rapportage- en uitwisselingsverplichtingen verder uitgebreid. Aanbieders van cryptoactivadiensten moeten gegevens over de fiscale woonplaats van hun klanten verzamelen, verifiëren en rapporteren hoeveel in cryptoactiva wordt gehandeld. Deze informatie stelt de Belastingdienst in staat beter te controleren of cryptoactiva correct in de aangifte inkomstenbelasting zijn opgenomen. Voor klanten die in een andere EU-lidstaat wonen, worden de gegevens automatisch uitgewisseld met de belastingautoriteiten van die lidstaat. De wetgeving treedt naar verwachting begin 2026 in werking en werkt terug tot en met 1 januari 2026; aanbieders kunnen vanaf die datum starten met de gegevensverzameling.

Daarnaast wordt de uitwisseling van informatie voor de minimumbelasting vereenvoudigd. Multinationale groepen die in meerdere EU-lidstaten actief zijn, kunnen hun bijheffing-informatieaangifte voortaan in één lidstaat indienen (op grond van DAC9). De betrokken belastingdiensten wisselen deze gegevens onderling uit, wat leidt tot een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten. Ook deze regeling treedt naar verwachting begin 2026 in werking, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026.

Samentelbepaling energie-investeringsaftrek (EIA)

Ondernemers die investeren in energiezuinige bedrijfsmiddelen kunnen via de energie-investeringsaftrek (EIA) 40% van het investeringsbedrag in mindering brengen op de winst, tot een jaarlijks maximum van € 153 miljoen (2026). Per 1 januari 2026 worden investeringen die een ondernemer doet in het eigen bedrijf én in samenwerkingsverbanden (zoals een VOF) bij elkaar opgeteld. Daarmee wordt voorkomen dat via meerdere entiteiten binnen één jaar meer dan het maximale investeringsbedrag voor de EIA in aanmerking wordt gebracht.

Recente ontwikkelingen renteaftrek

In zowel het Hans Anders-arrest (september 2025) als het Autobar-arrest (december 2025) heeft de Hoge Raad bevestigd dat renteaftrek op aandeelhoudersleningen bij overnames kan worden geweigerd wanneer sprake is van een kunstmatige constructie (fraus legis), óók wanneer de rente naar de letter van de wet in beginsel wel aftrekbaar is.

Deze uitspraken onderstrepen dat de Belastingdienst en de rechter streng kijken naar de zakelijke motieven achter overnamefinanciering. Voor private equity en andere investeerders betekent dit dat structuren goed onderbouwd moeten zijn om renteaftrek in stand te houden.

Herzieningsregeling vastgoeddiensten

Per 1 januari 2026 gaat een herzieningsregeling gelden voor bepaalde diensten aan onroerend zaken, de zogenoemde ‘onroerende investeringsdiensten’. De regeling ziet op verbouwings- en onderhoudsdiensten (zoals isolatie, schilderwerk of renovatie) van € 30.000 of meer (excl. btw). De btw-aftrek van dergelijk diensten is niet langer direct definitief, maar moet na het jaar van ingebruikname (doorgaans het jaar waarin de dienst wordt geleverd) gedurende 4 jaar worden gevolgd. Indien het gebruik van de onroerende zaak in deze periode verandert, dient de btw-aftrek mogelijk te worden herzien. Het is essentieel om de administratie hier zorgvuldig op in te richten.

Tarief hotels, pensions en vakantieverblijven

Het verlaagde btw-tarief van 9% voor overnachtingen in hotels, pensions en vakantieverblijven is per 1 januari 2026 verhoogd naar het algemene tarief van 21%. Vooruitlopend op deze wijziging was reeds een overgangsregeling getroffen, waardoor ook overnachtingen die al in 2025 zijn geboekt en betaald, maar in 2026 plaatsvinden, onder het 21%-tarief vallen.

Besluit onroerende zake omzetbelasting

Op 17 december 2026 is het gewijzigde Besluit onroerende zaken omzetbelasting gepubliceerd. Hierin wordt onder meer een nadere toelichting gegeven op de btw-kwalificatie van koop-/aannemingsovereenkomsten, een onderwerp dat in de praktijk vaak vragen oproept.

Procedure overgang van een algemeenheid van goederen

Op 21 november 2025 is de langverwachte uitspraak van de Hoge Raad gepubliceerd over de toepassing van artikel 37d van de Wet OB. De zaak gaat over de vraag of de verkoop van een verhuurd wooncomplex door een projectontwikkelaar kan kwalificeren als een overgang van een algemeenheid van goederen (artikel 37d Wet OB), waardoor geen btw zou zijn verschuldigd.

De Advocaat-Generaal (A-G) had in 2024 geconcludeerd dat de overdracht van verhuurd vastgoed door een projectontwikkelaar wél kan kwalificeren als een overgang van een algemeenheid van goederen (artikel 37d van de Wet OB). Daarbij moet volgens de A-G worden gekeken naar het object van de overdracht, en niet naar de intentie van de ondernemer.

De Hoge Raad ziet argumenten voor beide interpretaties, dus enerzijds dat het uitsluitend vanuit het object moet worden beoordeeld, en anderzijds dat ook de intentie van de verkoper relevant is. De Hoge Raad legt de vraag daarom voor aan het Hof van Justitie EU. Duidelijkheid laat daarmee voorlopig nog even op zich wachten.

Opvallend daarbij is dat de Hoge Raad zelf nóg een (voor)vraag opwerpt: strekt het toepassingsbereik van artikel 37d Wet OB überhaupt uit tot situaties waarin het overgedragen vastgoed uitsluitend is gebruikt voor een btw-vrijgestelde activiteit (zoals verhuur van woningen)?

Het belang voor de praktijk is aanzienlijk. Indien sprake is van een overgang van een algemeenheid van goederen kan de verkoop zónder btw en zónder overdrachtsbelasting plaatsvinden. Dit kan leiden tot substantiële voordelen bij transacties met btw-vrijgesteld vastgoed (zoals woningen en zorgvastgoed). Er bestaat in dat geval echter ook geen recht op aftrek van de btw op de bouwkosten; het belang zit dus in de btw over de marge die wordt behaald.

Tarief beleggingswoningen

Per 1 januari 2026 is een nieuw algemeen overdrachtsbelastingtarief van 8% ingevoerd. Dit tarief geldt voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt, zoals vakantie- en beleggingswoningen. Voor bedrijfspanden en andere niet-woningen blijft het tarief 10,4%. Wie een woning koopt om er zelf te gaan wonen, blijft het verlaagde tarief van 2% betalen.

Startersvrijstelling verruimd

De startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting is per 2026 verhoogd. Kopers tussen 18 en 35 jaar die hun eerste woning kopen om er zelf te gaan wonen, betalen thans geen overdrachtsbelasting bij een aankoopprijs tot € 555.000.

Recht op inzage fiscaal dossier

Het recht op inzage in het fiscale dossier wordt de komende jaren stapsgewijs uitgebreid. Uiterlijk in 2032 krijgen belastingplichtigen via een digitaal portaal toegang tot hun fiscale dossier, wat de transparantie en informatiepositie versterkt. Op termijn wordt ook inzage geboden in stukken zoals behandelverslagen, gespreksnotities en interne correspondentie, voor zover geen zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. Vanaf 2026 worden als eerste gefaseerd stukken met betrekking tot aanslagen en beschikkingen in de inkomstenbelasting voor belastingplichtigen beschikbaar gesteld.

Invorderingsrente

Per 2026 wordt het percentage invorderingsrente verhoogd van 4% naar 4,3%. Deze rente is verschuldigd wanneer belastingaanslagen of teruggevorderde toeslagen niet tijdig worden betaald. Voor belastingschulden met een betaaldatum in 2026 of later geldt het verhoogde rentepercentage.

Tot slot

Heeft u vragen over de gevolgen van deze ontwikkelingen voor uw onderneming, project of investering? Neem dan gerust contact op met Boris Emmerig, Demi van Zantvoort, Peter van Velthoven of Nienke de Louwere. Wij denken graag met u mee!

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief