Ontwikkelingen rondom schijnzelfstandigheid
Op 1 januari 2026 zou de zachte landing van de afschaffing van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid eindigen. Te elfder ure ontstond daarover nog commotie in de Tweede Kamer met als uitkomst dat er in 2026 nog geen verzuimboetes zullen worden opgelegd en dat een eventuele controle voorafgegaan wordt door een bedrijfsbezoek. Dit is cosmetica; er wordt gewoon gehandhaafd. In 2025 zijn er ruim 1.000 bedrijfsbezoeken afgelegd en bijna 300 controles ingesteld. Verwacht mag worden dat deze aantallen in 2026 hoger zullen liggen.
De jurisprudentie zal ook in 2026 blijven komen. Naar verwachting zal het Hof Amsterdam op 27 januari 2026 uitspraak doen over de status van Uber-taxichauffeurs. Centraal staat de vraag of twee personen toch hetzelfde werk kunnen doen, ook al doet de ene dat als werknemer en de andere als zzp'er, waarbij dan het verschil wordt gemaakt door het externe ondernemerschap van de zzp'er.
De ontwikkelingen in de jurisprudentie tot nu toe zijn inmiddels in kaart gebracht door de Universiteit van Amsterdam. Dan blijkt dat er verschillen zijn tussen enerzijds de theorie zoals die is geformuleerd door de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest en anderzijds de toepassing daarvan in de lagere jurisprudentie. Interessant is om te zien hoe zich dit verder gaat ontwikkelen.
Ook in 2026 zal er meer helderheid komen over het voorstel voor een Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Stand van zaken hier is dat de Tweede Kamer over dit voorstel een aantal vragen heeft gesteld op 8 oktober 2025. De bal ligt nu bij het kabinet om deze vragen te beantwoorden, maar heel veel haast lijkt men niet te hebben. Ook nog in de pijplijn zit het voorstel voor een Zelfstandigenwet van de VVD, het CDA, SGP en D66. Dat voorstel is echter nog niet eens ingediend bij de Tweede Kamer. Wellicht wordt gekeken om beide voorstellen in elkaar te schuiven in het kader van de formatie, maar ook dan zullen deze voorstellen waarschijnlijk niet de duidelijkheid bieden die zij beogen.
De eerste naheffingen zijn – of althans lijken – inmiddels een feit te zijn. Er worden bedragen tot EUR 10 miljoen genoemd in de bouwsector. Dit soort berichten zullen – naar wij verwachten – ook in 2026 komen.
Medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups
Het kabinet werkt aan een gerichte fiscale regeling om medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups aantrekkelijker te maken. Toegang tot (internationaal) talent wordt gezien als een belangrijke succesfactor, waarbij een fiscaal gunstige aandelenoptieregeling kan bijdragen aan het aantrekken en behouden van werknemers.
De beoogde regeling, die naar verwachting per 1 januari 2027 in werking treedt, kent twee belangrijke pijlers. Ten eerste wordt het heffingsmoment uitgesteld tot het moment waarop de uit aandelenopties verkregen aandelen daadwerkelijk worden vervreemd, zodat belastingheffing pas plaatsvindt wanneer liquide middelen beschikbaar zijn. Ten tweede wordt de belastinggrondslag beperkt tot 65% van de waarde, waardoor de effectieve belastingdruk daalt van 49,5% naar circa 32%, vergelijkbaar met het box 2-tarief.
De regeling is bedoeld voor jonge, niet-beursgenoteerde ondernemingen met een innovatief en schaalbaar bedrijfsmodel. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal toetsen of aan deze voorwaarden wordt voldaan en verstrekt hiervoor beschikkingen met een beperkte geldigheidsduur. Het wetsvoorstel wordt in 2026 verder uitgewerkt en gaat naar verwachting begin dat jaar in internetconsultatie.
Aanpassingen RVU-drempelvrijstelling en eindheffingstarief
De tijdelijke RVU‑drempelvrijstelling zou gelden tot en met 2025. Door de drempelvrijstelling hoeft de pseudo‑eindheffing van 52% niet te worden betaald, voor zover de betalingen in het kader van de RVU onder het bedrag van de drempelvrijstelling blijven en worden uitgekeerd in de periode van 36 maanden voor de AOW-leeftijd.
Het kabinet en sociale partners hebben echter afgesproken de RVU-drempelvrijstelling vanaf 2026 structureel voort te zetten. Het bedrag van de RVU-drempelvrijstelling is voor 2026 vastgesteld op € 2.657 per maand. Het tarief van de pseudo-eindheffing voor een RVU-uitkering boven de RVU-drempelvrijstelling wordt stapsgewijs verhoogd. In 2026 wordt het tarief verhoogd naar 57,7%. In 2027 vindt een verdere verhoging plaats naar 64%. In 2028 geldt het maximale percentage van 65%. Met dit verhoogde tarief wordt een RVU‑uitkering boven de RVU-drempelvrijstelling extra ontmoedigd.
Expatregeling (voorheen 30%-regeling): geen wijziging in 2026
In 2025 en 2026 blijft de belastingvrije vergoeding onder de expatregeling maximaal 30%. Vanaf 2027 wordt dit verlaagd naar maximaal 27%. Ook gaat in 2027 een hogere salarisgrens gelden. Voor werknemers die de expatregeling al in 2023 zijn gaan gebruiken, geldt een overgangsregeling.
Wijziging van belastingverdrag met Duitsland
Met ingang van 1 januari 2026 treedt het gewijzigde belastingverdrag met Duitsland in werking. Vanaf deze datum geldt onder meer een “thuiswerkdrempel”. Deze thuiswerkdrempel houdt in dat werknemers die in het ene land wonen en in het andere land werken, tot maximaal 34 dagen per kalenderjaar kunnen thuiswerken zonder dat dit gevolgen heeft voor de belastingheffing over hun loon. Het volledige loon wordt dan belast in het werkland. Er is sprake van een thuiswerkdag als de werknemer op die dag meer dan 30 minuten thuiswerkt.