Wvggz

Update Wvggz

Sinds 1 januari 2020 geldt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (‘Wvggz’) als juridisch kader voor het verlenen van ‘verplichte zorg’ aan mensen met een psychische stoornis. De Hoge Raad heeft al verschillende keren arrest gewezen in het kader van de Wvggz, zie daarover ook onze eerste Wvvgz-Update.

In deze Wvggz-Update worden drie recente arresten van de Hoge Raad besproken. De Hoge Raad heeft zich onder andere gebogen over de hoorplicht van de burgemeester en een mogelijke ‘opeenstapeling’ van crisismaatregelen. Daarnaast is duidelijk geworden hoe om te gaan met wilsbekwaam verzet van de betrokkene, en blijft de termijn waarbinnen de geneesheer-directeur de schriftelijke beslissing tot het verlenen van verplichte zorg moet versturen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als laatste beantwoordde de Hoge Raad de vraag of de rechter vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging mag opnemen die niet door de officier van justitie zijn verzocht.

 Hoge Raad 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1808

Feiten

Op 30 december 2019 gaf de burgemeester een last tot inbewaringstelling van de betrokkene op grond van (het toen nog geldige) artikel 20 lid 1 Wet Bopz. Op 3 januari 2020 verleende de rechter een machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling, die onder de Wvggz een ‘machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel’ wordt genoemd. Op 23 januari 2020 nam de burgemeester opnieuw een crisismaatregel ten aanzien van de betrokkene. Hierbij had de psychiater de betrokkene gewezen op het recht om gehoord te worden door de burgemeester, maar de betrokkene had dat aanbod nadrukkelijk afgewezen. Vervolgens ging de betrokkene in beroep tegen de crisismaatregel. De betrokkene meende dat de burgemeester de hoorplicht had geschonden, en dat een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel niet gevolgd kan worden door een nieuwe crisismaatregel.

 Beoordeling

Ten aanzien van de hoorplicht van de burgemeester (artikel 7:1 lid 3, aanhef onder b, Wvggz) stelde de betrokkene dat de burgemeester niet zonder meer mocht afgaan op de mededeling van de psychiater dat de betrokkene niet gehoord wilde worden. De Hoge Raad oordeelde dat het vaststellen of de betrokkene kan en wil worden gehoord aan de onafhankelijke psychiater mag worden toevertrouwd. De burgemeester dient wel na te gaan op welke omstandigheden deze vermelding berust, indien in de aanvraag enkel vermeld is of de betrokkene niet gehoord kan of wil worden, zonder dat daarvoor in het bijbehorende dossier aanknopingspunten te vinden zijn. Mocht daarvan geen sprake is, mag de burgemeester dus afgaan op de mededeling van de psychiater.

Ten aanzien van de nieuwe crisismaatregel, die werd afgegeven kort voor het verstrijken van de machtiging tot voortzetting van de (eerste) crisismaatregel, voerde de betrokkene aan dat de Wvggz geen opeenstapeling van crisismaatregelen beoogt. De Hoge Raad bevestigde dat het in lijn met het stelsel van de Wvggz ligt, dat de officier van justitie bij een noodzaak tot verplichte zorg na afloop van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, een zorgmachtiging verzoekt. Dit betekent echter niet dat het op grond van de Wvggz niet mogelijk is om een nieuwe crisismaatregel te nemen indien aan de voorwaarden voor deze crisismaatregel is voldaan.

Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2096

Feiten

Aan de betrokkene werd verplichte zorg verleend op basis van een zorgmachtiging waarin onder andere het toedienen van medicatie was opgenomen. Op 1 mei 2020 besprak de psychiater met de betrokkene het voornemen om depotmedicatie toe te dienen. De psychiater schreef hierover in zijn dagrapport dat de betrokkene wilsbekwaam was in zijn wens om deze medicatie niet te willen. De psychiater besloot diezelfde dag om, ondanks dit verzet, toch de medicatie toe te dienen. De geneesheer-directeur deelde deze beslissing op 4 mei 2020 schriftelijk mede aan de betrokkene.

De betrokkene diende tegen deze gang van zaken een klacht in bij de klachtencommissie. Hij stelde dat de psychiater de medicatie niet had mogen toedienen omdat sprake was van wilsbekwaam verzet, hetgeen geregeld is in artikel 2:1 lid 5 en 6 Wvggz. In deze bepalingen in de Wvggz is, kort gezegd, geregeld dat in het geval van wilsbekwaam verzet slechts verplichte zorg mag worden verleend, als sprake is van acuut levensgevaar voor de betrokkene of aanzienlijk risico voor een ander. Daarnaast klaagde de betrokkene dat het afschrift van de beslissing van de geneesheer-directeur volgens hem te laat was verzonden. De klachtencommissie en daarna ook de rechtbank verklaarden de klachten ongegrond.

Beoordeling

De Hoge Raad oordeelde dat de algemene uitgangspunten uit hoofdstuk 2 van de Wvggz bij de uitvoering van de wet in acht moeten worden genomen. Dit volgt zowel uit de gelaagde structuur van de wet, als de bewoordingen van diverse bepalingen. Bij een klacht kan dus ook worden aangevoerd dat de uitgangspunten van hoofdstuk 2 niet in acht zijn genomen, ondanks dat deze bepalingen niet expliciet in artikel 10:3 Wvggz als klachtgronden zijn opgenomen.

In dit licht oordeelde de Hoge Raad dat de plicht van de zorgverantwoordelijke uit artikel 8:9 lid 4 Wvggz niet slechts een registratieplicht is. Deze bepaling schrijft voor dat de zorgverantwoordelijke vaststelt en in het dossier noteert, of de betrokkene wilsbekwaam is met betrekking tot de beoogde verplichte zorg en of er bij wilsbekwaam verzet sprake is van acuut levensgevaar voor de betrokkene dan wel aanzienlijk risico of gevaar voor een ander. Indien dit gevaar zich bij verzet niet voordoet, dient het verzet overeenkomstig artikel 2:1 lid 6 Wvggz gehonoreerd te worden. Hierbij benadrukte de Hoge Raad dat het moet gaan om wilsbekwaamheid ten aanzien van de verplichte zorg, inhoudend dat de betrokkene specifieke afwegingen kan maken over deze zorg om zo tot een redelijke waardering van zijn belangen te komen.

Ten aanzien van de termijn voor de verstrekking van de schriftelijke beslissing door de geneesheer-directeur erkende de Hoge Raad dat artikel 8:9 lid 3 Wvggz hiervoor geen termijn voorschrijft. De geneesheer-directeur moet dat spoedig doen op grond van de vereisten van zorgvuldigheid. Welke termijn aanvaardbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het is volgens de Hoge Raad onjuist om te stellen dat betrokkene nog in staat moet zijn om de beslissing te doen schorsen, alvorens de verplichte zorg daadwerkelijk wordt uitgevoerd. In deze specifieke casus vond de Hoge Raad de schriftelijke mededeling op maandag 4 mei 2020 over een beslissing die op vrijdag 1 mei 2020 genomen is voldoende spoedig.

Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:158

Feiten

In zijn verzoek om een zorgmachtiging had de officier van justitie verschillende vormen van verplichte opgenomen, waaronder het uitoefenen van toezicht op de betrokkene. Tijdens de mondelinge behandeling van dit verzoek – waarbij de officier van justitie niet aanwezig was – werd de zorgverantwoordelijke psychiater gehoord. De psychiater gaf aan dat de zorgvorm ‘insluiting’ door een vergissing niet in het verzoek was opgenomen, maar dat dit wel had gemoeten. Hierbij legde hij uit dat de zorgvormen insluiting en toezicht bij elkaar horen en dat de zorgverleners beide zorgvormen mogelijk willen toepassen in het geval van opname. De rechtbank verleende de zorgmachtiging, mét de vorm van verplichte zorg ‘insluiting’, omdat dit noodzakelijk werd geacht voor het afwenden van ernstig nadeel. Betrokkene ging tegen deze beslissing van de rechtbank in cassatie. 

Beoordeling

De Hoge Raad oordeelde dat uit de Wvggz niet voortvloeit dat de rechter andere vormen van verplichte zorg mag opnemen dan de officier van justitie heeft verzocht. Omdat dit niet in de Wvggz geregeld is, zijn op grond van artikel 6:1 lid 10 Wvggz de regels van de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek op Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) aanvullend van toepassing. Uit artikel 23 Rv blijkt dat de rechter niet méér toe mag wijzen dan wordt verzocht door partijen. Ten tijde van deze uitspraak was er een wetsvoorstel tot wijziging van artikel 6:4 lid 2 Wvggz aanhangig, op grond waarvan de rechter de bevoegdheid zou krijgen om (ook) vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging op te nemen, die niet zijn verzocht door de officier van justitie. De Hoge Raad liep echter niet op deze wijziging vooruit. In dit geval stond het de rechter dus niet vrij om de zorgvorm insluiting op te nemen in de zorgmachtiging.

Het betreffende wetsvoorstel is nog aanhangig bij de Tweede Kamer (wetsvoorstel 35667). Met de aanpassing van artikel 6:4 lid 2 Wvggz beoogt de wetgever te expliciteren dat de rechter andere doelen of vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging kan opnemen dan waar de officier van justitie om verzoekt. Hierbij geeft de minister aan dat dit altijd al de bedoeling van de wetgever is geweest, maar dat dit in het huidige artikellid niet op deze manier is geregeld.

Deze Wvggz-Update is geschreven door Froukje van den Borne, student-stagiair Gezondheidsrecht bij Holla Advocaten (22 februari 2021).