Wvggz: drie recente arresten

De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (‘Wvggz’) heeft per 1 januari 2020 de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (‘Wet Bopz’) voor mensen met een psychiatrische aandoening vervangen. Tegen beschikkingen van de rechtbank omtrent de Wvggz staat geen hoger beroep open. Er staat daarentegen wel cassatieberoep open tegen beschikkingen van de rechtbank strekkende tot het verlenen van een zorgmachtiging, beschikkingen waarin de rechtbank een oordeel geeft over een door de geneesheer-directeur genomen besluit en beschikkingen waarin de rechtbank een oordeel geeft over een beslissing van een klachtencommissie op een klacht. In 2020 heeft de Hoge Raad (tot en met 9 oktober 2020) al acht keer arrest gewezen in het kader van dergelijke Wvggz-cassatieberoepen.

In dit artikel worden drie van deze arresten uitgelicht. Deze arresten betreffen onder meer de vragen of cassatieberoep tegen een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel mogelijk is, hoe ver de motiveringsplicht van de rechter voor toegewezen vormen van verplichte zorg reikt. Ook gaan ze over de vraag of een vorm van verplichte zorg ‘voorwaardelijk’ kan worden toegewezen, en of bij het verlenen van die voorwaardelijke vorm van verplichte zorg dan een recente medische verklaring kan worden verkregen. Tot slot komt aan de orde of de geneesheer-directeur van de accommodatie waar de betrokkene verblijft, ook de medische verklaring mag opstellen.

 Hoge Raad 5 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1012)

Feiten

Op 13 januari 2020 heeft de burgemeester van Aalten aan de betrokkene een crisismaatregel opgelegd. In deze beschikking verwijst de burgemeester naar een op dezelfde dag uitgebrachte medische verklaring van een psychiater. Deze psychiater had heeft kort daarvoor nog noodmedicatie verstrekt aan de betrokkene tijdens zijn crisisdienst. De officier van justitie verzoekt vervolgens de Rechtbank Gelderland een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel aan de betrokkene te verlenen. Op 16 januari 2020 verleent de rechtbank de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor verschillende vormen van verplichte zorg. De betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel en stelt daarbij een drietal vragen.

Beoordeling

Allereerst staat de vraag centraal of cassatieberoep open staat tegen het verlenen van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van artikel 7:8 Wvggz. Artikel 7:8 lid 5 Wvggz sluit namelijk hoger beroep uit tegen een beslissing van de rechter inzake het verlenen van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel. Cassatieberoep tegen de beslissing is in dit artikellid dus niet expliciet uitgesloten. De Hoge Raad overweegt dat artikel 6:1 lid 10 Wvggz de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) van toepassing verklaart. Deze bepaling ziet echter enkel op de procedure inzake de zorgmachtiging en is in artikel 7:8 lid 2 Wvggz niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de procedure tot verlening van een machtiging tot voorzetting van een crisismaatregel. De vraag is vervolgens of dit betekent dat geen cassatieberoep mogelijk is tegen een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. De Hoge Raad overweegt dat moet worden aangenomen dat op dit punt sprake is van een omissie van de wetgever. Daarom zijn de regels inzake de verzoekschriftprocedure óók bij de verlening van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel van toepassing. Cassatieberoep is dus wél mogelijk tegen de beslissing tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel, ook al volgt dat niet met zoveel woorden uit de wet.

Ten tweede staat ter beoordeling of ruimte bestaat voor een belangenafweging indien de psychiater die de medische verklaring afgeeft, in het jaar daaraan voorafgaand wél zorg heeft verleend aan de betrokkene. Dan is immers niet voldaan aan de onafhankelijkheidsvoorwaarde van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz. De Hoge Raad interpreteert dit vereiste heel taalkundig en overweegt dat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging in deze context. De eis dat gedurende één jaar geen zorg mag zijn verstrekt aan de betrokkene wordt dus strikt geïnterpreteerd. Dit schept helderheid voor de praktijk.

In dit arrest komt tot slot aan de orde hoe ver de motiveringsplicht van de rechter strekt ten aanzien van de verplichte zorg waartoe de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel zich uitstrekt. De rechter kan volgens de Hoge Raad in beginsel volstaan met een verwijzing naar de vormen van verplichte zorg, zoals die zijn opgenomen zijn in de medische verklaring. Dit is echter anders wanneer de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg. In dat geval dient de rechter zijn beslissing, dat de betreffende vorm van verplichte zorg noodzakelijk is, te motiveren.

Hoge Raad 25 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1508)

Feiten

Op 12 februari 2020 heeft de officier van justitie ten aanzien van de betrokkene verzocht een zorgmachtiging te verlenen, aansluitend op een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:11 Wvggz. In het verzoekschrift heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar het zorgplan en de medische verklaring, verzocht om een zorgmachtiging te verlenen voor verschillende vormen van verplichte zorg. Op 17 februari 2020 heeft de Rechtbank Rotterdam een zorgmachtiging voor de betrokkene verleend voor de duur van zes maanden. In de zorgmachtiging wordt ambulante verplichte zorg in de vorm van toediening van medicatie gecombineerd met een voorwaardelijke vorm van verplichte zorg, namelijk het opnemen in een accommodatie. De rechtbank overweegt eveneens dat, hoewel de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden is verleend, een (nieuwe) recente medische verklaring nodig zal zijn wanneer pas over een aantal maanden gedwongen opname in een accommodatie nodig is.

Beoordeling

Allereerst oordeelt de Hoge Raad over de klacht dat voor een voorwaardelijke zorgmachtiging geen wettelijke grondslag bestaat. De Hoge Raad overweegt echter ook dat de Wvggz er niet aan in de weg staat dat in een zorgmachtiging een voorwaarde aan een vorm van verplichte zorg wordt verbonden, om zeker te stellen dat de minst beperkende en voor de betrokkene minst bezwarende vorm van zorg wordt aangeboden. Het is dus mogelijk dat in een zorgmachtiging ambulante verplichte zorg wordt gecombineerd met verplichte zorg die bestaat uit het opnemen in een accommodatie, onder de voorwaarde dat de ambulante verplichte zorg niet meer volstaat en het opnemen in een accommodatie noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden. In dit geval betekent dat, dat als de betrokkene weigert zijn medicatie te nemen, aan de voorwaarde voor opname in een accommodatie wordt voldaan en dus tot die opname kan worden overgegaan.

Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de klacht dat aan de zorgmachtiging de voorwaarde is verbonden dat een recente medische verklaring wordt verkregen wanneer de zorgverantwoordelijke beslist tot het verlenen van verplichte zorg binnen de geldigheidsduur van de zorgmachtiging. De Hoge Raad oordeelt dat de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg ter uitvoering van een zorgmachtiging met diverse wettelijke waarborgen is omkleed. Met die systematiek strookt niet dat aan een zorgmachtiging de voorwaarde wordt verbonden dat een recente medische verklaring wordt verkregen wanneer binnen de geldigheidsduur van de machtiging beslist wordt om de voorwaardelijk toegewezen vorm van verplichte zorg te verlenen. Indien een rechter meent dat na verloop van een bepaalde periode niet zonder recente medische verklaring voor een bepaalde vorm van zorg kan worden gekozen, dan dient hij de geldigheidsduur van de zorgmachtiging voor die vorm van verplichte zorg tot die periode te beperken.

Hoge Raad 2 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1545)

Feiten

Op 21 februari 2020 heeft de officier van justitie ten aanzien van de betrokkene verzocht een zorgmachtiging te verlenen. In het verzoekschrift wordt onder meer verwezen naar een medische verklaring van 19 februari 2020. Deze medische verklaring was opgemaakt en ondertekend door een psychiater die tevens geneesheer-directeur is van de instelling waarin de betrokkene was opgenomen en werd behandeld. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 11 maart 2020 een zorgmachtiging verleend ten aanzien van de betrokkene. De betrokkene stelt cassatieberoep in en klaagt dat de geneesheer-directeur niet bevoegd was om de medische verklaring op te stellen.

Beoordeling

In het arrest van de Hoge Raad komt aan de orde of een medische verklaring als bedoeld in artikel 5:8 Wvggz kan worden opgesteld door een psychiater, die tegelijkertijd geneesheer-directeur is van de accommodatie waar de betrokkene verblijft en als zodanig optreedt bij de voorbereiding van de zorgmachtiging. Artikel 5:7, aanhef en onder c, Wvggz bepaalt immers dat de psychiater die de medische verklaring opstelt, onafhankelijk functioneert ten opzichte van de zorgaanbieder.

De Hoge Raad oordeelt dat deze voorwaarde niet inhoudt dat de psychiater niet in dienst mag zijn bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder moet er daarentegen wel voor zorgen dat de psychiater in de uitoefening van zijn functie onafhankelijk kan functioneren en de zorgaanbieder moet zich daarbij onthouden van het geven van aanwijzingen. De psychiater mag eveneens gedurende een jaar geen zorg hebben verleend aan de betrokkene (conform artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz). Kortom: het is mogelijk dat de geneesheer-directeur, die tevens psychiater is van de accommodatie waar de betrokkene verblijft, de medische verklaring opstelt, mits voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5:7 Wvggz.

Door deze en de andere arresten van de Hoge Raad worden in de loop van 2020 steeds meer aspecten van de Wvggz duidelijk en uitgelegd. Hopelijk biedt dit de zorgaanbieders van (verplichte) geestelijke gezondheidszorg handvatten voor de praktijk.

Dit artikel is geschreven door Marieke Quaak, student-stagiair Gezondheidsrecht bij Holla Advocaten (9 oktober 2020).