Wanneer is een zorginstelling (niet) verplicht om een lokale cliëntenraad in te stellen?

lokale cliëntenraad

Veel zorginstellingen zijn op grond van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) verplicht een cliëntenraad in te stellen als er in de regel minimaal 10 of 25 zorgverleners werkzaam zijn. Instellingen voor langdurig verblijf of thuiszorg met meerdere locaties hebben een extra verplichting; zij dienen per locatie een cliëntenraad in te stellen. Alleen als de behoefte aan een cliëntenraad voor een locatie ontbreekt of een lokale cliëntenraad “in redelijkheid niet is aangewezen” geldt deze verplichting niet. Wanneer is hiervan sprake? In deze bijdrage een toelichting.   

Een cliëntenraad per locatie: wat zegt de wet?

Instellingen die erop ingericht zijn om cliënten langdurig te laten verblijven of die bij cliënten thuis zorg laten verlenen en meerdere locaties in stand houden, zijn in beginsel verplicht om voor elk van die locaties een cliëntenraad in te stellen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er geen nadere eisen zijn gesteld zoals bijvoorbeeld een minimumomvang van een locatie. Evenmin zijn er voorschriften opgenomen omtrent een inrichting van cliëntenraden naar zorgvormen of cliëntgroepen (Kamerstukken II 2017/18, 34858, nr. 3, p. 12).

De verplichting van een cliëntenraad voor een bepaalde locatie geldt niet als een voor zo een locatie representatief te achten delegatie van cliënten of hun vertegenwoordigers heeft aangegeven hier geen behoefte aan te hebben of dit in redelijkheid voor een of meer van die locaties niet is aangewezen. Het is aan het bestuur van de instelling om te beargumenteren waarom het voor een locatie eventueel toch niet redelijk zou zijn om een aparte cliëntenraad in te stellen.

Uit de toelichting bij de Wmcz 2018 volgt dat onredelijk zijn “verzoeken die worden gedaan zonder onderbouwing van de behoefte hieraan gelet op de locaties waar de zorg wordt verleend, de verschillende vormen van zorg die worden verleend of de verschillende cliëntgroepen waaraan de zorg wordt verleend. Ook verzoeken om een cliëntenraad in te stellen voor eenheden waarin in de regel door tien of minder personen zorg wordt verleend kan als onredelijk worden aangemerkt.” (Kamerstukken II 2017/18, 34858, nr. 3, p. 12). Uit deze passage volgt dat, ondanks dat voor een locatie geen minimumomvang is voorgeschreven, een gering aantal zorgverleners reden kan zijn om géén cliëntenraad te hoeven instellen.

Wat nu als een voor de locatie representatief te achten delegatie van (vertegenwoordigers van) cliënten van mening verschilt met de instelling over het al dan niet instellen van een cliëntenraad? Dan kan een geschil hierover worden voorgelegd aan de commissie van vertrouwenslieden, zoals nog vrij recent gebeurde bij de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV).

Waarom oordeelde de LCvV recent dat een lokale cliëntenraad (vooralsnog) is aangewezen?

Op 1 december 2023 heeft de LCvV geoordeeld dat een lokale cliëntenraad in redelijkheid is aangewezen, ondanks de tegenargumenten van de instelling. Het ging hier om een zorgaanbieder van intramurale en extramurale zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, gedragsproblematiek en/of ontwikkelingsachterstand, met tientallen zorglocaties en woonzorglocaties. Een delegatie van ouders/vertegenwoordigers van cliënten van een van deze woonzorglocaties had de raad van bestuur verzocht om een lokale cliëntenraad in te stellen. De raad van bestuur had dat verzoek afgewezen. In de periode daarna zijn de meeste cliënten (7 van de 10) van deze locatie verhuisd als gevolg van een beleidswijziging. De vertegenwoordigers van de drie nog resterende cliënten (die niet willen verhuizen) leggen het verzoek c.q. de afwijzing voor aan de LCvV.

Bij de LCvV voerde de zorginstelling onder meer aan dat het instellen van een cliëntenraad niet verplicht is omdat er op deze locatie niet meer dan 10 personen zorg verlenen. Dit argument hield geen stand. Zoals hiervoor is uiteengezet heeft de wetgever geen minimumomvang voor een locatie als eis gesteld Niettemin overweegt de LCvV dat het aantal cliënten en zorgverleners op een locatie in het kader van het redelijkheidsvereiste wel een rol kan spelen.

In dit verband hecht de LCvV betekenis toe aan het feit dat er op dit moment gezien het (tijdelijk) beperkt aantal bewoners slechts vijf medewerkers werkzaam zijn (in de reguliere cliëntenbezetting volgens oplopend tot maximaal negen), maar dat de cliënten ook structureel worden bijgestaan door vrijwilligers. Ook uitgaande van de tijdelijk verkleinde bezetting op de locatie maken deze vrijwilligers dat er in totaal een aanzienlijke groep natuurlijke personen zorg verlenen (de LCvV gaat uit van in ieder geval een aantal tussen 8 en 11). Het betrokken aantal zorgverleners is aldus geen reden om van het instellen van een cliëntenraad af te zien.

Verder stelde de zorginstelling dat de huidige medezeggenschapsstructuur voorziet in volwaardige medezeggenschap op alle niveaus, waaronder clusterraden, regioraden en een centrale cliëntenraad. Deze raden hebben de formele adviezen instemmingsbevoegdheden uit de Wmcz2018. Daarnaast zijn er lokale groepsoverleggen die inspraak hebben zoals de Wmcz2018 dat voorschrijft. De LCvV stelt echter vast dat in de praktijk sprake is van een per december 2022 gestaakt groepsoverleg, en dat de clusterraad die de belangen van deze locatie geacht wordt te behartigen, (zeer) veel vacatures kent en al enige tijd niet operationeel is. Of de belangen van de cliënten daadwerkelijk en concreet behartigd zijn binnen de bestaande medezeggenschapsstructuur in de periode waarin het initiële verzoek is gedaan (december 2021) en daarna, is niet gebleken. De Commissie ziet ook in deze omstandigheid dan ook onvoldoende aanleiding om geen lokale cliëntenraad in te stellen.

Omdat de huidige situatie qua zorgverleners en bezetting voor deze locatie niet representatief is te achten (er zijn zeven (van tien) lege plekken in afwachting van cliënten met een ander zorgprofiel dan voorheen), stelt de Commissie de termijn waarbinnen de cliëntenraad dient te worden ingesteld op zes maanden. Op deze wijze laat de Commissie ruimte bestaan voor de mogelijkheid dat nieuwe, toekomstige bewoners een andere mening kunnen zijn toegedaan over de noodzaak tot het instellen van een lokale cliëntenraad.

Wanneer kan van een lokale cliëntenraad worden afgezien?

Instellingen voor langdurig verblijf of thuiszorg met meerdere locaties zijn in beginsel verplicht om per locatie een cliëntenraad in te stellen. Toch laat ook de hiervoor aangehaalde uitspraak van de LCvV zien dat het sterk afhankelijk is van de concrete situatie of deze verplichting wel moet worden nageleefd.

Ook als een representatief te achten delegatie van (vertegenwoordigers van) cliënten heeft aangegeven wel behoefte te hebben aan een lokale cliëntenraad, kunnen er omstandigheden zijn waardoor redelijkerwijs toch geen lokale cliëntenraad is aangewezen. Zo kan de locatie een (te) geringe omvang (tien of minder zorgverleners) hebben. Ook kan de medezeggenschap van cliënten op de betreffende locatie reeds afdoende zijn geborgd via de bestaande medezeggenschapssstructuur. Tot slot staat het (volgens de wetgever) de instelling en de betrokken (vertegenwoordigers van) cliënten geheel vrij om ook op andere wijze cliëntenraden af te spreken rond bijvoorbeeld zorgvormen of groepen cliënten, in plaats van per locatie (Kamerstukken I 2018/19, 34 858, nr. D, p. 18).

https://www.vertrouwenslieden.nl/uitspraken/uitsprakenarchief-lcvv/2023/uitspraak-23-009-instellen-lokale-clientenraad

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?