Update: Bestuurlijke afspraken uitvoering Wzd

In de afgelopen maanden hebben verschillende veldpartijen gewerkt aan ‘bestuurlijke afspraken uitvoering Wet zorg en dwang’ (‘Wzd’). De noodzaak tot het verbeteren van de uitvoerbaarheid van de Wzd was voortgekomen uit de wetsevaluatie van de Wzd (en ook de Wet verplichte ggz). De onderzoekers hebben in de wetsevaluatie tal van aanbevelingen gedaan om de Wzd en Wvggz te verbeteren, zowel in de systematiek van de wet, als in de uitvoerbaarheid ervan in de praktijk. De minister van Langdurige Zorg en Sport heeft daarop een beleidsreactie gegeven. Daarin heeft zij aangekondigd dat  zij een wetsvoorstel voorbereidt om verbeteringen te bewerkstelligen. De minister is van plan om het wetsvoorstel in het voorjaar van 2024 in internetconsultatie te publiceren.

Het maken, behandelen en implementeren van een wetsvoorstel kost echter veel tijd. Daarom hebben veldpartijen (alvast) afspraken gemaakt over de uitvoerbaarheid van de Wzd. De afspraken gelden vanaf 1 januari 2024, tot de inwerkingtreding van het aangekondigde wetsvoorstel. De afspraken wijken soms af van de Wzd. De IGJ zal met die afwijking rekening houden bij haar toezicht op de Wzd. In deze blog lichten wij een aantal in het oog springende afspraken uit. Zie voor de volledige tekst de publicatie van het ministerie.

1. Wzd-stappenplan

Om onvrijwillige zorg in het zorgplan te kunnen opnemen, moet een besluitvormingsprocedure worden gevolgd: het zogenoemde ‘stappenplan’. Dit stappenplan is vastgelegd in artikel 10 tot en met 13 Wzd. Dit stappenplan wordt echter als te rigide en als ‘afvinklijstje’ ervaren. Er is afgesproken dat er in het nieuwe stappenplan meer maatwerk mogelijk wordt. Nu gaat het dan om, onder meer, de volgende afwijkingen van de Wzd:

  • de zorgverantwoordelijke hoeft het zorgplan hoeft niet standaard vier weken na aanvang te evalueren, maar pas na zes maanden of zoveel eerder als nodig is (art. 8 lid 1 Wzd);
  • de termijn waarin onvrijwillige zorg kan worden verleend is maximaal zes maanden (in plaats van drie), alvorens de onvrijwillige zorg in het zorgplan wordt geëvalueerd.

Een belangrijk doel van de Wzd is het verbeteren van de rechtspositie van de cliënt als die te maken krijgt met onvrijwillige zorg. Daarom is, onder meer, afgesproken dat:

  • overleg over het zorgplan ook kan plaatsvinden op initiatief van de cliënt of vertegenwoordiger; niet alleen als de zorgverantwoordelijke daartoe aanleiding ziet;
  • de zorgverantwoordelijke informeert de cliënt of vertegenwoordiger over ieder MDO over onvrijwillige zorg in het zorgplan en zij kunnen daarbij aanwezig zijn;
  • de zorgverantwoordelijke en de cliënt of vertegenwoordiger stemmen af hoe de evaluatie van het zorgplan wordt voorbereid. Dat kan ook in het beleidsplan van de zorgaanbieder worden geconcretiseerd;
  • bij verschil van mening over de in te schakelen deskundige kunnen zowel de zorgverantwoordelijke als de cliënt of vertegenwoordiger om een second opinion vragen.

2. Versterking rol cliëntvertrouwenspersoon

De cliëntvertrouwenspersoon (‘cvp’) is een nieuwe speler sinds de inwerkingtreding van de Wzd. Een rol die in de ggz al veel bekender is als de patiëntvertrouwenspersoon (‘pvp’). De cvp is echter nog niet altijd goed bekend bij zorgaanbieders en cliënten. Partijen hebben afgesproken om hierop te blijven inzetten. Ook is afgesproken dat een cvp in het kader van zijn/haar taken toegang heeft tot de accommodatie en locaties van een zorgaanbieder. Daarover bestaat in de praktijk namelijk nogal eens discussie. De zorgaanbieder en cvp stemmen hierover af, zodat de rol van de cvp bekend(er) wordt.

3. Jeugd en artikel 2 lid 2 Wzd

 In artikel 2 lid 2 Wzd staat een aantal vormen van zorg, die worden gelijkgesteld aan ‘onvrijwillige zorg’, óók als er geen sprake is van verzet. Het gaat dan om:

  • het toedienen van medicatie die van invloed is op het gedrag of de bewegingsvrijheid van de cliënt, indien de medicatie niet wordt toegediend volgens de geldende professionele richtlijnen;
  • beperking van de bewegingsvrijheid;
  • insluiting.

De achtergrond van deze gelijkstelling is dat voor sommige cliënten niet altijd duidelijk is of sprake is van verzet, terwijl het hier gaat om ingrijpende vormen van zorg. Daarom is extra rechtsbescherming voor deze (zorg aan) cliënten nodig geacht.

In de praktijk was onduidelijk of deze ‘gelijkstelling’ ook geldt voor jeugdigen, omdat hier geen leeftijdscriterium is opgenomen. De partijen hebben afgesproken dat artikel 2 lid 2 niet van toepassing is op kinderen tot twaalf jaar. Het stappenplan bij kinderen onder de twaalf jaar wordt dus (slechts) toegepast als de vertegenwoordiger(s) (d.w.z. de ouder(s) of voogd(en)) zich tegen de zorg verzetten. Dit sluit aan bij de leeftijdsgrenzen in de Wzd en de WGBO.

4. Uitbreiding gelijkgestelde aandoeningen

Op grond van het Besluit zorg en dwang zijn er op dit moment drie aandoeningen die worden gelijkgesteld aan een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap. Cliënten met zo’n ‘gelijkgestelde aandoening’ kunnen dan (toch) onder de Wzd worden gebracht, ook al is strikt genomen geen sprake van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Op dit moment gaat het om cliënten met het syndroom van Korsakov, de ziekte van Huntington en niet-aangeboren hersenletsel.

Aan deze aandoeningen worden gerontopsychiatrische aandoeningen en autismespectrumstoornissen toegevoegd. Cliënten met die aandoeningen kunnen dan, onder bepaalde voorwaarden, onder de Wzd worden gebracht. Deze uitbreiding is nog niet formeel in werking getreden, omdat de procedures (bij het CIZ?) nog niet op orde zijn. Partijen hebben nu afgesproken dat in de praktijk zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met deze uitbreiding voor mensen die al bij een zorgaanbieder verblijven. Cliënten met deze aandoening kunnen dus onder de Wzd worden gebracht.

5. Herbeoordeling artikel 21-besluiten

Een besluit tot opname en verblijf (ook wel: een ‘artikel 21-besluit’) heeft een maximale geldigheidsduur van vijf jaren (artikel 22 lid 5 Wzd). Besluiten die zijn afgegeven per de inwerkingtreding van de Wzd op 1 januari 2020 moeten dus in of het tegen het einde van 2024 worden herbeoordeeld. Dit brengt grote uitvoeringslasten met zich, terwijl de situatie van cliënten veelal niet gewijzigd is. Herbeoordelingen van artikel 21-besluiten vinden niet plaats totdat een wetswijziging heeft plaatsgevonden. Individuele cliënten of hun vertegenwoordigers kunnen het CIZ wel verzoeken om herbeoordeling.

Tot slot

De bestuurlijke afspraken zijn een mooie eerste stap in de verbetering van de uitvoering van de Wzd. Bijvoorbeeld het schrappen van de verplichting om het zorgplan na vier weken na aanvang te evalueren. Veel andere afspraken zijn echter een benadrukking of verduidelijking van de bestaande wet(tekst). Wat dat betreft lijken de afspraken in juridische zin niet baanbrekend. We zullen bezien wat de wetswijziging dit voorjaar met zich brengt. Daarin zullen de wetsevaluaties en de beleidsreactie van de minister daarop grondiger worden meegenomen. Waarschijnlijk zal ook de VGN, de brancheorganisatie voor de gehandicaptenzorgaanbieders die deze bestuurlijke afspraken niet heeft ondertekend, zich luider laten horen.

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?