Onterechte afwijzing op aanvraag registratie in BIG-register

In een uitspraak van 31 augustus jl. vernietigt de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”) een afwijzend besluit van de Minister voor Medische Zorg (“de minister”) op een aanvraag van een Duitse “Apothekerin” om als apotheker in het zogenoemde BIG-register te worden geregistreerd. Laatstgenoemde heeft in Duitsland haar universitair diploma behaald. De Afdeling bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen.

Wat was er aan de hand?

De Apothekerin heeft van 2013 tot en met 2016 in Duitsland als zodanig gewerkt. Gedurende deze periode stond zij ingeschreven in de regionale registers, de Apothekerkammer van Hesse en de Apothekerkammer van Westfalen-Lippe. Sinds 1 november 2016 is zij als “pharmacist” werkzaam bij de Nederlandse postorder-apotheek DocMorris. In 2019 dient zij een aanvraag bij de minister in om haar in Duitsland behaalde diploma te erkennen en als “apotheker” in het BIG-register[1] te worden geregistreerd.

De minister erkende het in Duitsland behaalde diploma, maar wees de aanvraag om als apotheker in het BIG-register te worden ingeschreven af. De minister legde daaraan ten grondslag dat het diploma ouder was dan vijf jaar en de Apothekerin daarom moest aantonen dat zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag minimaal 2.080 uur als apotheker had gewerkt. Omdat de Apothekerin in Nederland niet als apotheker was geregistreerd, telden de uren die zij bij DocMorris had gewerkt niet mee. Hierdoor had zij een werkonderbreking van meer dan twee jaar gehad. In geval van een werkonderbreking van meer dan twee jaar, telt de werkervaring die daarvóór is opgedaan ook niet mee. Dit staat in het Registratiebesluit BIG. Dit betekent dat zij niet voldoet aan het werkervaringsvereiste van 2.080 uren.

De Apothekerin maakte bezwaar tegen het afwijzende besluit van de minister, maar de minister handhaafde zijn eerdere besluit. Daarna oordeelde ook de rechtbank dat de minister zijn besluitvorming deugdelijk had gemotiveerd. De Apothekerin stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling.

Wat zijn de overwegingen van de Afdeling?

Werkervaringsvereiste

De Afdeling overweegt dat uit de bepalingen van de Wet BIG moet worden afgeleid dat werkervaring alléén meetelt voor het werkervaringsvereiste als die is opgedaan tijdens een actieve registratie in een wettelijk ingesteld register. Dat wettelijk ingesteld register kán het BIG-register zijn, maar dat hoeft niet. Ook werkervaring opgedaan in Duitsland kan meetellen als de werkzaamheden zijn verricht tijdens een actieve registratie in het aldaar ingestelde register.

De Apothekerin constateert volgens de Afdeling terecht dat deze uitleg van de door haar aangehaalde bepalingen met zich brengt dat werkzaamheden die een niet-Nederlander in Nederland verricht als hij niet is ingeschreven in het BIG-register niet meetellen voor het werkervaringsvereiste. Het niet meetellen van werkervaring zónder te beschikken over een inschrijving is een consequentie van de wettelijke regeling die voor zowel niet-Nederlanders als Nederlanders geldt. Apothekers moeten hun kennis van medicijnen actueel houden door scholing en zij staan onder tuchtrechtelijk toezicht met de bedoeling de patiëntveiligheid zoveel mogelijk te borgen. De wetgever heeft daarom gewild dat alléén geregistreerde apothekers werkzaamheden van een apotheker mogen uitvoeren. Dit betekent dat ook een niet-Nederlander die als apotheker werkzaam wil zijn, zich éérst zal moeten laten registeren in het BIG-register. Uit het voorgaande volgt dat de minister de werkzaamheden die de Apothekerin bij DocMorris heeft verricht, terecht niet heeft betrokken bij het werkervaringsvereiste.

Onevenredige gevolgen

De Apothekerin wijst erop dat zij vijf aaneengesloten jaren meer dan 12.019 uur in de farmaceutische zorgverlening heeft gewerkt, veel meer dan de vereiste 2.080 uur, en dat zij formeel misschien niet, maar materieel wél voldoet aan het werkervaringsvereiste. Omdat ze de twee jaar voorafgaand aan haar aanvraag onder supervisie heeft gewerkt in Nederland, is de patiëntveiligheid niet in het gedrang gekomen. Ook is zij, sinds zij in Nederland werkzaam is, twee keer ingehaald door de tijd. In 2017, twee maanden nadat zij in Nederland begon met werken, is in de Wet BIG een taalvaardigheidseis opgenomen en sinds 2018 geldt het werkervaringsvereiste. Als ze haar aanvraag eerder had ingediend, dan had zij niet aan deze vereisten hoeven voldoen. De Afdeling is echter van oordeel dat het de Apothekerin valt aan te rekenen dat zij de aanvraag niet eerder heeft ingediend. Zij was zelf verantwoordelijk de voor haar relevante informatie te vergaren. Dat de regelgeving in het nadeel van haar is gewijzigd, is voor de Afdeling op zichzelf geen aanleiding toewijzing van haar aanvraag. Als zij had willen profiteren van eerder geldende voor haar gunstigere regels, dan had zij haar aanvraag vroeger moeten indienen.

De Apothekerin stelt verder dat de wetgever de voorwaarde dat een werkonderbreking niet langer dan twee jaar mag duren wil de werkervaring nog meetellen voor het werkervaringsvereiste op korte termijn uit het Registratiebesluit BIG schrapt. Mogelijk komt deze voorwaarde in 2023 te vervallen. Zou deze voorwaarde al zijn komen te vervallen op het moment dat ze haar aanvraag indiende, dan zouden de door haar in Duitsland gewerkte uren hebben meegeteld bij de werkervaring en kwam zij in aanmerking voor inschrijving in het BIG-register. Voor zover haar persoonlijke omstandigheden niet al aanleiding zouden moeten geven een uitzondering te maken, zou de minister toch zeker in de wijziging van het Registratiebesluit aanleiding moeten zien haar aanvraag alsnog toe te kennen. De Afdeling deelt het dit betoog van de Apothekerin. Uit de onderbouwing van de wijziging van het Besluit valt af te leiden dat de patiëntveiligheid kennelijk niet in het gedrang komt als het werkonderbrekingsvereiste komt te vervallen. De Afdeling kan de minister daarom niet volgen in zijn standpunt dat de aanvraag van de Apothekerin moet worden afgewezen met het oog op de patiëntveiligheid. Bovendien wordt de Apothekerin door de afwijzing van haar aanvraag hard geraakt. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de besluitvorming in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen over de aanvraag van de Apothekerin, met inachtneming van deze uitspraak.

Tot slot

Hoewel de Apothekerin dus niet aan het werkervaringsvereiste voldeed, verklaart de Afdeling het hoger beroep tóch gegrond. Een interessante uitspraak waarin de Afdeling bepaalt dat het besluit van de minister in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel is vastgelegd in artikel 3:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) dat bepaalt dat: “de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.”

Deze uitspraak laat zien dat persoonlijke omstandigheden een rol kunnen spelen bij een BIG-registratieaanvraag. Daarnaast is het met name van belang dat bij registratie in het BIG-register de patiëntveiligheid niet in het gedrang mag komen. De regels zijn strikt, maar er kan dus ruimte zijn voor uitzonderingen.

Heeft u vragen over de Wet-BIG of (de inschrijving in) het BIG-register? Neem dan gerust contact met ons op.

Interessante artikelen voor u

 

[1] Het BIG-register is door de minister ingesteld op grond van artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (“Wet BIG”). Deze wet kent een stelsel van titelbescherming voor bepaalde beroepen, waaronder dat van apotheker. Alleen degenen die als apotheker in het register van apothekers van het BIG-register staan ingeschreven mogen die titel voeren en daarmee zelfstandig de werkzaamheden van een apotheker uitvoeren. Zij zijn dan tevens onderworpen aan tuchtrechtelijk toezicht.