Kindgebonden budget

Hoge Raad opnieuw aan zet over kindgebonden budget

Het gerechtshof Den Haag heeft met betrekking tot het kindgebonden budget opnieuw een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Ditmaal echter ten aanzien van de partneralimentatie.

Op 9 oktober 2015 oordeelde de Hoge Raad naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het gerechtshof Den Haag dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop bij de berekening van de kinderalimentatie niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Daarmee leek een einde te zijn gekomen aan alle onrust met betrekking tot het kindgebonden budget. Niets bleek echter minder waar, want een half jaar na de uitspraak ontstond er weer een nieuwe discussie in alimentatieland: dient het kindgebonden budget in het kader van de partneralimentatie ook als inkomenscomponent bij de bepaling van de behoefte in aanmerking te worden genomen?

In de literatuur en jurisprudentie zijn twee stromingen te ontdekken. Enerzijds is er de stroming die meent dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop dienen te worden opgeteld bij het inkomen van de echtgenoot die recht heeft op partneralimentatie. In dat geval vermindert het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop de behoefte aan partneralimentatie en daarmee dus ook de vast te stellen partneralimentatie. Anderzijds is er de stroming die het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop ziet als een inkomensafhankelijke ondersteuning met slechts een aanvullend karakter (zoals huur- en zorgtoeslag). In dat geval moeten het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van de behoefte van de echtgenoot die recht heeft op partneralimentatie (zie hierover ook ons nieuwsbericht van 23 maart jl.)

De verschillende opvattingen leiden in de praktijk niet alleen tot rechtsonzekerheid, maar ook tot rechtsongelijkheid. De alimentatieplichtige zal bij de ene gerechtelijke instantie namelijk een lagere alimentatie hoeven te betalen dan dezelfde alimentatieplichtige bij een andere gerechtelijke instantie. Dat kan niet de bedoeling zijn. Dus moet de Hoge Raad de knoop maar weer doorhakken, vindt het gerechtshof Den Haag.

De prejudiciële vraag betreft in het bijzonder de vraag of het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop moet worden aangemerkt als inkomen van de ontvanger, zodat het diens (aanvullende) behoefte aan partneralimentatie verlaagt en daarmee ook de vast te stellen partneralimentatie, of dat het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop als een inkomensafhankelijke toeslag moet worden gezien (zoals huur- of zorgtoeslag), waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage bij de berekening van de behoefte van de ontvanger buiten beschouwing moet worden gelaten en enkel bij de berekening van de draagkracht in aanmerking moet worden genomen.

Het woord is nu aan de Hoge Raad. Naar verwachting zullen met de beantwoording van de prejudiciële vragen enkele maanden zijn gemoeid. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met één van onze familierechtadvocaten.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar