Wetsvoorstel franchise: the verdict is in!

De mening van de franchisesector over het wetsvoorstel franchise

The verdict is in! Op 31 januari 2019 is de internetconsultatie voor het wetsvoorstel franchise gesloten. De minister heeft 362 reacties op het wetsvoorstel gekregen. Wat vindt de franchisesector van het wetsvoorstel? In dit artikel leggen wij u uit welke meningen we vaak terug zien komen in de reacties op het wetsvoorstel franchise.

De mening van de gemiddelde franchisegever
Veel franchisegevers zijn gevallen over de toon in de Memorie van Toelichting (MvT), waarin het wetsvoorstel uitgelegd is. Zij ervaren dat ze wel erg negatief ‘weggezet’ worden. In de MvT staat bijvoorbeeld:  ‘In de praktijk blijkt regelmatig dat de manier waarop de franchisegever het overwicht inzet, tot onredelijke en onwenselijke situaties leidt voor de franchisenemer. Deze belandt dan als het ware in een ‘fuik’.’ Zo zijn meer zinnen te vinden, waarin de franchisegevers er niet genadig vanaf komen. De negatieve toon is ook bij een aantal franchisenemers verkeerd gevallen. Een aantal franchisenemers maakt melding van een goede relatie met ‘hun’ franchisegever en dit beeld niet te herkennen.

In het wetsvoorstel franchise staat, dat als de franchisegever de franchiseformule wil wijzigen of een afgeleide formule wil starten hij (bij ingrijpende gevolgen) instemming moet vragen aan de individuele franchisenemers of een vertegenwoordiging daarvan. Franchisegevers geven aan dat dit een inbreuk is op hun eigendomsrecht. Zij zijn immers eigenaar van de formule.

Daarnaast gaat een franchisenemer bij zijn besluitvorming uit van het belang van zijn eigen onderneming en het korte(re) termijn resultaat. De franchisegever is verantwoordelijk voor de kwaliteit en de toekomstbestendigheid van de franchiseformule. Door de invoering van een instemmingsrecht kan de franchisegever geen goede invulling meer geven aan zijn rol.

Franchisegevers vinden het (in zijn algemeenheid) prima dat de precontractuele fase beter geregeld wordt. Maar, in dit wetsvoorstel gaat de verplichte informatieverschaffing in de precontractuele fase te ver. Met name de (digitale) afgifte van het handboek is een doorn in het oog. Een franchisegever heeft belang bij bescherming van zijn knowhow en bedrijfsgeheimen om zijn concurrentiepositie te behouden. Dit is uiteraard ook in het belang van zijn franchisenemers. Franchisegevers vinden daarom dat bepaalde informatie pas afgegeven hoeft te worden ná het aangaan van de franchiseovereenkomst.

Daarnaast is in het wetsvoorstel verwezen naar een (nog te maken) Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), waarin nadere regels zijn opgenomen over de aard, inhoud en wijze van verstrekking van informatie. De franchisegevers vinden dat de AMvB eerst gemaakt moet worden, voordat besloten wordt over het wetsvoorstel franchise. De gevolgen van de AMvB kunnen namelijk verstrekkend zijn.

Vervolgens is een veelgemaakte opmerking dat het wetsvoorstel te weinig oog heeft voor de verschillende vormen franchiserelaties. Het wetsvoorstel heeft een ‘één pot nat’-benadering, die niet op alle situaties past of constructief is. Daarnaast kennen bepaalde sectoren specifieke wet- en regelgeving, die botst met de tekst van het wetsvoorstel franchise. Het wetsvoorstel franchise is te ongenuanceerd.

Tot slot is de waardering van goodwill veel te onduidelijk. Ook wordt de optie om de goodwill op nihil te stellen gemist.

De mening van de franchisenemers
In zijn algemeenheid zijn franchisenemers , met name de kleinere partijen, positief over het wetsvoorstel franchise. Zij vinden dat het wetsvoorstel hun positie zal versterken. Toch zijn in de reacties ook geluiden te vinden van franchisenemers, die aangeven alleen behoefte te hebben aan goede regels voor de precontractuele fase.

Verschillende franchisenemers geven aan dat zij graag willen dat de kantonrechter bevoegd is in geschillen over franchise.

De mening van juridisch specialisten
De kwaliteit van het wetsvoorstel is door juridisch specialisten negatief beoordeeld. De Universiteit van Groningen schrijft bijvoorbeeld: ‘Met name uit de memorie van toelichting blijkt steeds weer dat basisbeginselen van zorgvuldigheid en wetenschappelijke kwaliteit worden geschonden’. Dat is een pittig oordeel. Het gebrek aan empirisch onderzoek om de noodzaak van (deze) regelgeving te rechtvaardigen, wordt gemist. Ook zien verschillende juridisch specialisten problemen, vanwege de vage omschrijving van bepaalde begrippen en zien zij artikelen in het wetsvoorstel franchise botsen met andere wetgeving. Ondoordacht, zo lijkt de conclusie.

De mening van internationale partijen
In internationaal verband is aangegeven dat het wetsvoorstel franchise Nederland onaantrekkelijk maakt als land om een franchiseformule te exploiteren. De kans is groot dat internationaal opererende partijen zich op andere landen zullen richten. Dit is slecht voor de Nederlandse economie.

Conclusie: terug naar de tekentafel
In zijn algemeenheid hebben de franchisegevers flinke bezwaren tegen het wetsvoorstel. De franchisenemers zien juist veel voordelen. Juridische experts lijken het wetsvoorstel erg slecht van kwaliteit te vinden. Internationale organisaties komen tot de conclusie dat het wetsvoorstel ons land onaantrekkelijk zal maken voor franchiseformules, wat niet goed is voor onze internationale concurrentiepositie. Alles bijeen genomen lijkt het erop dat de wetgever terug naar de tekentafel moet.

Holla Advocaten is gespecialiseerd in franchisezaken. Alle ontwikkelingen over franchise volgen wij op de voet. Wilt u meer weten? Neem dan contact op met onze franchisespecialisten Ferry Weelen en Merel Franke.

Dit artikel is geschreven door Peggie van Vugt, medewerker Wetenschappelijk Bureau van Holla Advocaten.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar