Uitbreiding van dwingende en niet dwingende uitsluitingsgronden bij aanbestedingen en concessies in de herziene aanbestedingswet

De herziene aanbestedingswet die op 1 juli 2016 in werking is getreden kent een belangrijke uitbreiding van de zogenaamde dwingende uitsluitingsgronden. Dit zijn uitsluitingsgronden die de aanbestedende dienst moet toepassen als deze zich voordoen. Het gaat daarbij om gepleegde misdrijven door de rechtspersoon, leden van bestuurs-, leidinggevende, toezichthoudende organen of die daarin vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft/hebben en jegens wie een onherroepelijke rechterlijke veroordeling is uitgesproken. De uitbreiding ziet op terroristische misdrijven, kinderarbeid, mensenhandel, niet-voldoening van sociale premie’s en belastingen. De onherroepelijke veroordelingen voor deze misdrijven moeten hebben plaatsgevonden 5 jaar voorafgaande aan het verzoek tot deelneming of inschrijving. Ook de niet dwingende uitsluitingsgronden zijn uitgebreid. Het gaat om niet-voldoening aan milieu-, sociale en maatschappelijke voorschriften, overeenkomsten om de mededinging te vervalsen, belangenconflicten, voorkennis, valse verklaringen, het achterhouden van informatie en uitsluiting op grond van past-performance. De terugkijkperiode is 3 in plaats van 4 jaar voorafgaande aan het verzoek tot deelname of inschrijving. De dwingende en niet dwingende uitsluitingsgronden zijn ook van toepassing bij verlening van concessies.

Aan toepassing van de dwingende en de niet dwingende uitsluitingsgronden kan ontkomen worden door een beroep te doen op het zogenaamde proportionaliteitsbeginsel. Dit is bijvoorbeeld het geval als het gaat om kleine bedragen aan niet betaalde sociale premies en belastingen. Ook dwingende redenen van algemeen belang kunnen aan toepassing van de uitsluitingsgronden in de weg staan. Gedacht moet worden aan openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Tenslotte kan de ondernemer aan uitsluiting ontkomen indien hij aantoont voldoende maatregelen te hebben genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Daarbij is van belang dat veroorzaakte schade is vergoed, actief wordt meegewerkt om feiten en omstandigheden op te helderen en concrete alsook organisatorische maatregelen zijn genomen om verdere strafrechtelijke inbreuken of beroepsfouten te voorkomen. De conclusie van dit alles is dat de aanbestedende diensten meer mogelijkheden hebben om inschrijvers uit te sluiten. Daartegenover staat dat toepassing van uitsluitingsgronden geen automatisme is aangezien het proportionaliteitsbeginsel een belangrijke rol speelt.

Jan van Heijningen

Overheid en Aanbesteding

 

Jan van Heijningen

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar