Tuchtklachten en corona

Nu het coronavirus de wereld al ruim anderhalf jaar in z’n greep houdt, zijn er inmiddels een aantal tuchtrechtelijke uitspraken verschenen in zaken waarin het coronavirus – meer specifiek: de maatregelen in verband met het coronavirus – een rol spelen. In deze blog bespreken wij kort vier van deze uitspraken.

Toetsingsmaatstaf

Vooropgesteld zij dat het tuchtcollege altijd dezelfde toetsingsmaatstaf hanteert. Het gaat er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om of dat handelen beter had gekund, maar of het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van ‘een redelijke bekwame beroepsuitoefening’. Daarbij speelt de stand van de wetenschap mee, net als hetgeen als norm of standaard was aanvaard. Ook bijzondere specifieke omstandigheden worden bij de beoordeling betrokken, zoals (in dit geval) de maatregelen rondom het coronavirus.

Overplaatsing niet mogelijk door de coronamaatregelen

De eerste uitspraak waarin de coronamaatregelen een rol speelden is de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam van 8 maart 2021, in een zaak waarin een patiënt en zijn moeder klaagden over een kinderarts. De patiënt was begin 2020 verwezen naar de locatie Oost van het ziekenhuis in verband met misselijkheid en eet- en drinkproblemen, alwaar hij is opgenomen en een vochtinfuus ingebracht kreeg. Op 12 maart 2020 werd besloten om over te gaan tot sondevoeding. Omdat de patiënt bij het inbrengen van de sonde in paniek raakte is de beklaagde kinderarts bij de opname betrokken geraakt. Ook is die dag gesproken over de wens van de patiënt en zijn moeder tot overplaatsing naar de locatie West van het ziekenhuis, omdat die locatie voor hen dichterbij was. Diezelfde dag werden echter de landelijke coronamaatregelen van kracht. Als gevolg van de maatregelen gold in het ziekenhuis de instructie om het ziekenhuis zoveel mogelijk vrij te maken voor Covid-patiënten. In overleg met de patiënt en zijn moeder is de patiënt uit het ziekenhuis ontslagen zonder sonde en met nutridrink thuis. Na het weekend, op 16 maart 2020, ging de poliklinische controleafspraak op de locatie West niet door in verband met de maatregelen. Daarna vonden er een second en third opinion plaats en is de behandeling in een ander ziekenhuis voortgezet.

De patiënt klaagde dat de kinderarts hem onheus had bejegend. Voor zover het ging om de coronasituatie had de onheuse bejegening te maken met de toezegging van de kinderarts dat de patiënt, als hij akkoord zou gaan met de sondevoeding, zou worden doorgestuurd naar de locatie West, terwijl daar vervolgens geen plek voor hem bleek zijn. Dat, terwijl het coronavirus volgens klager bijna geen kinderen zou treffen en hij zou worden overgeplaatst naar de kinderafdeling. De kinderarts voerde aan dat de patiënt ten onrechte een verband legde tussen de sondevoeding en de overplaatsing. De wens tot overplaatsing is wel besproken, maar kon niet gehonoreerd worden omdat zoveel mogelijk patiënten met ontslag moesten gaan. Het ontslag van de patiënt met sondevoeding was medisch gezien ook verantwoord. In het ziekenhuis blijven was niet mogelijk, niet noodzakelijk en ook niet in het belang van de patiënt gezien het hogere risico op Covid-19 infectie in het ziekenhuis. In de betreffende periode was heel weinig bekend over het coronavirus en kon er niet vanuit worden gegaan dat dit geen risico zou vormen voor jongeren.

Het tuchtcollege overwoog over dit klachtonderdeel kort dat de kinderarts er geen tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt dat de overplaatsing als gevolg van omstandigheden die buiten haar macht liggen niet heeft kunnen doorgaan. Ook de andere (niet aan het coronavirus gerelateerde) klachtonderdelen werden kennelijk ongegrond verklaard.

Communicatieproblemen door de coronamaatregelen?

Op 23 juni 2021 deed ook het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven uitspraak in een zaak die te maken had met de coronamaatregelen. In deze zaak klaagde een patiënte over haar huisarts. De patiënte was begin 2020 bij de huisarts geweest in verband met rug- en schouderklachten. In april, mei en juni 2020 was de huisarts terughoudend met het ontvangen van patiënten in de praktijk, in verband met de coronamaatregelen. In juni en juli 2020 hadden de huisarts en diens waarnemers de patiënte gezien in verband met buik-, menstruatieklachten en een mogelijke zwangerschap. Op 6 augustus 2020 vond een lang gesprek plaats tussen de patiënte en de huisarts, waarin de patiënte aangaf dat zij zich vaak afgescheept had gevoeld. Op 11 augustus 2020 liet de patiënte zich uitschrijven. De patiënte verweet de huisarts dat hij te lang heeft afgewacht en haar niet heeft doorverwezen en weinig tot geen uitleg heeft gegeven over zijn behandeling en bevindingen.

Ook in deze zaak stelde het tuchtcollege de vaste toetsingsmaatstaf (zie hiervóór) voorop. Daarnaast stelde het tuchtcollege voorop dat het gaat om de persoonlijke verwijtbaarheid van de huisarts. Het handelen van andere betrokken zorgverleners, zoals de waarnemers van de huisarts, kan niet aan de huisarts worden toegerekend.

Het tuchtcollege overwoog dat het handelen van de huisarts niet onzorgvuldig was geweest. Wel was het achteraf gezien jammer dat pas op 6 augustus 2020 voor het eerst duidelijk werd dat er communicatieproblemen bestonden tussen de patiënte en de huisarts. Voor de patiënte was de bedoeling van de huisarts niet duidelijk. Mogelijk hebben de beperkende maatregelen in verband met het coronavirus aan de communicatieproblemen bijgedragen. Het tuchtcollege oordeelde echter dat de huisarts daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. Het tuchtcollege verklaarde de klacht ongegrond.

Informatie over het vaccin

Op 9 juli 2021 deed de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege Zwolle uitspraak in een zaak die door een patiënt tegen zijn huisarts had ingediend. Klager was door de praktijk van zijn huisarts uitgenodigd om zich te laten vaccineren, maar stelde dat er met betrekking tot het vaccin ‘in vier maanden tijd duizenden doden en honderdduizenden ernstige bijwerkingen waren gemeld’. Daarmee handelde de huisarts volgens klager in strijd met de eed van Hippocrates, de Neurenbergcode, de rechten van de mens en de Geneefse Conventie. Klager verweet de huisarts onder meer onjuiste informatieverstrekking over het vaccin. De voorzitter van het tuchtcollege overwoog (bij wijze van een voorzittersbeslissing, dus zonder behandeling door het tuchtcollege en zonder mondelinge behandeling) dat hij op voorhand van oordeel was dat de klacht niet kon klagen. De huisarts had het in Nederland geldende Covid-beleid gevolgd en was daarmee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Dat klager het niet eens was met het in Nederland geldende Covid-beleid en bronnen en personen kon aanwijzen die hem daarin steunen, maakte dat niet anders. De voorzitter verklaarde de klacht kennelijk ongegrond.

Mondkapje tijdens consult

Op 10 augustus 2021 oordeelde het Regionaal Tuchtcollege Den Haag over een tuchtklacht van een patiënt over zijn huisarts. De patiënt weigerde om een mondkapje op te doen in de wachtkamer van zijn huisarts. Zijn echtgenote droeg wel een mondkapje. Zij maakte (in het geheim) geluidsopnamen van het hele bezoek aan de praktijk. De huisarts had daarop onder meer de politie gebeld en klager verzocht om de praktijk te verlaten en een andere huisarts te zoeken. De echtgenote kreeg vervolgens wel een consult, waarbij de huisarts haar vertelde dat klager een strafblad krijgt wanneer hij een klacht wegens huisvredebreuk tegen klager indient, dat een aantal vakantiebestemmingen onmogelijk wordt omdat hij daar door het strafblad niet zal worden toegelaten, en dat het onmogelijk wordt om een andere huisarts te vinden (“huisartsen kletsen namelijk onderling nogal”).

De patiënt verweet de huisarts dat de huisarts hem en zijn echtgenote onheus had bejegend. Het tuchtcollege was kritisch en overwoog dat uit de geluidsopname in de wachtkamer blijkt dat de huisarts duidelijk moeite had met de opstelling van klager en emotioneel reageerde op de weigering om een mondkapje te dragen. De huisarts had – na een korte woordenwisseling over de op grond van de RIVM-richtlijnen verplichte mondkapjes – gezegd de politie te bellen, dat de patiënt werd opgehaald en hij had ter plekke de behandelrelatie met de patiënt verbroken. Ook had de huisarts de patiënt niet gevraagd naar de reden van zijn komst, om uit te sluiten dat de patiënt een urgente reden voor het consult had. Verder blijkt uit de geluidsopname dat de huisarts tijdens het consult had verteld wat hem niet zinde in de gedragingen van klager en dat hij op een dreigende manier had gesproken over de mogelijke consequenties van een aangifte tegen de patiënt bij de politie. Daarmee heeft de huisarts de grenzen van professioneel handelen overschreden, aldus het tuchtcollege. Het tuchtcollege verklaarde de klacht gegrond en legde een waarschuwing op.

Conclusie

Zoals hiervóór al aan de orde kwam leidt het aanleggen van de vaste tuchtrechtelijke toetsingsmaatstaf niet altijd tot dezelfde uitkomst. De professionele standaard is volkomen afhankelijk van de specifieke gebeurtenissen en gedragingen. Daarbij kunnen ook de coronamaatregelen een rol spelen. Dat betekent niet dat een bepaald handelen of nalaten kan worden gerechtvaardigd door simpelweg naar het coronavirus, de coronasituatie of de geldende maatregelen te verwijzen. Wel kunnen zulke omstandigheden – indien van toepassing – een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.