Toezicht Wmo 2015

Toezicht op Wmo 2015

Bij toezicht op de gezondheidszorg zullen de meeste mensen denken aan het toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (‘IGJ’). Dat is niet vreemd, want de IGJ houdt toezicht op veel ‘zorgwetten’. Het toezicht op de uitvoering de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (‘Wmo 2015’) valt echter niet onder het toezichtsdomein van de IGJ. De Wmo 2015 en het toezicht daarop is namelijk een taak van de gemeente. De systematiek van het toezicht op de Wmo 2015 is dus anders dan het toezicht door de IGJ op (bijvoorbeeld) de naleving van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (‘Wkkgz’).

Onlangs heeft de Rechtbank Rotterdam een interessante uitspraak van 20 juli 2020 gepubliceerd over Wmo-toezicht. In deze uitspraak ging het om een rapport van een (preventief) onderzoek dat in december 2019 en begin 2020 was uitgevoerd bij een Wmo-aanbieder, in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (‘het college’). In juni 2020 heeft het college besloten het rapport openbaar te maken (‘het openbaarmakingsbesluit’). De Wmo-aanbieder heeft daartegen bezwaar gemaakt. Omdat het maken van bezwaar de werking van het openbaarmakingsbesluit niet schorst, heeft de Wmo-aanbieder de voorzieningenrechter verzocht om het openbaarmakingsbesluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen, onder meer omdat de Wmo-aanbieder onvoldoende gebruik heeft gemaakt om te reageren op het onderzoek en de uitkomsten daarvan.

Bevoegdheid

Ten eerste stelt de Wmo-aanbieder in de zaak die aanleiding gaf tot de uitspraak van 20 juli 2020 dat het college niet bevoegd is om de verleende Wmo-zorg te toetsen. De voorzieningenrechter overweegt dat het college, op grond van artikel 6.1 Wmo 2015, personen aanwijst die toezicht houden op de naleving van de Wmo 2015. Deze taak is in dit geval regionaal belegd bij de GGD Rotterdam-Rijnmond, maar wordt feitelijk uitgevoerd door en onder verantwoordelijkheid van de gemeente Rotterdam. Het college van Rotterdam heeft het Wmo-toezicht met een Aanwijzingsbesluit opgedragen aan het hoofd van de afdeling ‘Concern Auditing’ en het team ‘Toezicht Wmo’ van die afdeling, die hun toezichtstaak uitvoeren in opdracht van de GGD Rotterdam-Rijnmond. Het openbaarmakingsbesluit is genomen door het hoofd van de afdeling Concern Auditing. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat het openbaarmakingsbesluit door het bevoegde bestuursorgaan is genomen.

Ten tweede stelt de Wmo-aanbieder dat de in de Wmo 2015 gestelde kwaliteitseisen niet gelden voor een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning op basis van een persoonsgebonden budget (‘pgb’). De voorzieningenrechter is het met die stelling niet eens. Toezicht Wmo werkt namelijk conform het ‘Toetsingskader Wmo 2019’, waaruit blijkt dat óók het toekennen en uitvoeren van maatschappelijke ondersteuning met een pgb onder de reikwijdte van het toezicht valt. Ook de Wmo 2015 geeft geen aanleiding voor deze stelling van de Wmo-aanbieder.

Onzorgvuldig en onvolledig onderzoek?

Ten derde meent de Wmo-aanbieder dat het onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest, dat de getrokken conclusies (dus) onjuist zijn, en dat het rapport (dus) niet openbaar gemaakt moet worden.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat artikel 8 lid 1 van de Wet openbaarheid van bestuur (‘Wob’) bepaalt dat het bestuursorgaan uit eigen beweging (dus: actief) informatie over het beleid verschaft, waaronder voorbereiding en uitvoering, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering. In principe gaat het daarbij niet om de vraag of de informatie juist is. Dat is echter anders, indien wordt gesteld dat de informatie ‘evidente onjuistheden’ bevat, zodat openbaarmaking van die informatie onevenredig is (artikel 10 lid 1 onder g Wob). De voorzieningenrechter gaat dus eerst in op de vraag of het rapport evidente onjuistheden bevat.

Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat het rapport strekt tot het geven van een oordeel over (de kwaliteit van) de door de Wmo-aanbieder geboden ondersteuning. Het rapport bevat ook een aantal verbetermaatregelen, die in een volgend onderzoek zullen worden getoetst. De Wmo-aanbieder heeft ruim de mogelijkheid gehad om tijdens het onderzoek vragen te beantwoorden en te stellen en de opgevraagde relevante informatie aan te leveren. Van belang daarbij is ook dat de Wmo-aanbieder bij de aankondiging van het toezicht is geïnformeerd over de procedure van het onderzoek, en dat aan haar het Toezichtskader Wmo 2019 is uitgereikt. Voordat het rapport definitief werd vastgesteld, heeft de Wmo-aanbieder de mogelijkheid gehad om schriftelijk te reageren op eventuele feitelijke onjuistheden in het conceptrapport. Daarop heeft de toezichthouder uitgebreid gereageerd en gestelde feitelijke onjuistheden aangepast. Ook mocht de Wmo-aanbieder een reactie van 200 woorden opstellen, die bij de publicatie van het rapport geplaatst zou worden. Daarvan heeft de Wmo-aanbieder echter geen gebruik gemaakt.

De Wmo-aanbieder heeft nog naar voren gebracht dat haar cliënten aangegeven hebben dat zij tevreden zijn over de geboden zorg. De voorzieningenrechter meent echter dat die stelling in perspectief moet worden gezien, omdat dat het overgrote deel van de cliënten zorgmijdend is en voor huisvesting, financieel beheer en boodschappengeld afhankelijk is van de Wmo-aanbieder. Daarbij blijkt uit het rapport dat (juist) de cliëntenvertegenwoordiging en het klachtenbeleid ondermaats zijn. Die constatering is door de Wmo-aanbieder niet weersproken. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat het rapport zorgvuldig is voorbereid en dat niet is gebleken van onjuistheden of onrechtmatigheden. Dat de Wmo-aanbieder het niet met de conclusies eens is, maakt het rapport niet (evident) onjuist, aldus de voorzieningenrechter.

Openbaarmaking?

Vervolgens maakt de voorzieningenrechter een belangenafweging met betrekking tot het openbaarmakingsbesluit. Daarbij weegt hij het belang van openbaarmaking van het rapport af tegen het belang van de Wmo-aanbieder, die bang is voor imagoschade en klantenverlies door de publicatie van het rapport.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het college terecht méér gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van (toekomstige) pgb-cliënten bij hun keuze voor een zorgaanbieder, het belang van transparantie van het toezicht en het belang van het nalevingsniveau. Die belangen van het college gaan vóór op het belang van de Wmo-aanbieder om negatieve publiciteit te voorkomen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de Wmo-aanbieder er zelf voor heeft gekozen om geen reactie van 200 woorden in te sturen, die bij de publicatie van het rapport geplaatst zou worden.

Slot

De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam laat zien dat zorgaanbieders die (ook) Wmo-ondersteuning verzorgen, zich bewust zijn van het verschil met het toezicht van de IGJ, en dat zorgaanbieders bij een toezichtsrapport actief meedenken en vragen stellen als er onduidelijkheden zijn of onjuistheden zijn vermeld. Het is van belang om scherp te zijn op de inhoud en termijnen, en, indien nodig, tijdig en volledig gebruik te maken van reactiemogelijkheden. Doet de zorgaanbieder dat niet of te laat, dan wordt het (betwiste) rapport vastgesteld en mogelijk ook openbaar gemaakt