Stikstofdepositie

Stikstofdepositie: geen passende beoordeling nodig bij ‘één-op-één-inpassing’

In deze tijd van stikstofhysterie bestaat behoefte aan concrete voorbeelden waarin woningbouwontwikkeling en andere nieuwe functies wél zijn toegestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wees op 29 januari 2020 een informatieve uitspraak over de zogenaamde “één-op-één-inpassing” in het kader van de passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming.

De zaak

De zaak gaat over een project nabij het Natura 2000-gebied ‘De Veluwe’. Een bestemmingsplan ‘Landgoed Tongeren, herziening wonen 2018’ wordt vastgesteld door de raad van Epe, met daarin de volgende ontwikkelingen:

  • vier woningen, in plaats van één woning in het vorige plan;
  • functiewijziging van een houtschuur naar beheerschuur met bijeenkomsten- en kantoorfunctie;
  • parkeervoorziening;
  • tennisbanen en paardenbakken.

Appellanten, waaronder de stichting Behoud van het landgoed Tongeren, betogen dat, gelet op de ligging van het plangebied nabij het Natura 2000-gebied De Veluwe, ten onrechte geen passende beoordeling is gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Het recht

Uitgangspunt van de Wnb is dat de raad voor een bestemmingsplan in beginsel een passende beoordeling moet maken van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden (artikel 2.8 lid 1 Wnb). Het ging in deze zaak over de vraag of het bevoegd gezag een passende beoordeling achterwege kon laten, op grond van artikel 2.8 lid 2 Wnb. Dat artikel bepaalt dat een passende beoordeling achterwege kan blijven als het plan een herhaling of voortzetting is van een ander plan of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan een passende beoordeling is gemaakt.

De Afdeling vat het toetsingskader in deze uitspraak als volgt samen:

Voor de vraag of de raad kon afzien van het maken van een passende beoordeling is van belang dat 1) verzekerd is dat de ruimtelijke ontwikkelingen waarin dit plan voorziet en die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van dit plan eerder in het kader van het vorige bestemmingsplan passend zijn beoordeeld, en 2) een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van het plan.

De beoordeling door de Afdeling bestuursrechtspraak

De Afdeling concludeert hier dat geen (nieuwe) passende beoordeling behoefde te worden gemaakt.

De Afdeling overweegt dat de beheerschuur en de parkeerplaats al zijn toegestaan op grond van een Wnb-vergunning van 18 oktober 2007. Voor die vergunning is destijds een effectbeoordeling opgesteld met als uitkomst dat er geen significant negatieve effecten zullen zijn op het Natura 2000-gebied. Bij die vergunning hoort het document “Ontwikkelingsvisie BV Landgoed Tongeren”. In dat document staat als gewenste functieverandering beschreven het herbestemmen van een timmerschuur tot ‘landgoedbedrijfsgebouw’. Gelet op deze, volgens de Afdeling, ruime omschrijving is met de nu beoogde functies van de beheerschuur ook sprake van een ‘landgoedbedrijfsgebouw’ zoals bedoeld in die ontwikkelingsvisie. Onder deze omstandigheden behelst het plan een “één-op-één-inpassing” van het door de Wnb-vergunning vergunde gebruik en voorziet het plan in een herhaling of voorzetting van een project waarvan al eerder een effectbeoordeling is gemaakt. Deze eerdere beoordeling moet als een passende beoordeling worden beschouwd.

Voorts overweegt de Afdeling dat het plan in plaats van één woning in het vorige plan nu vier woningen mogelijk maakt, maar dat binnen het plangebied als geheel geen toename plaatsvindt van het aantal woningen. Dit als gevolg van uitruil van wooneenheden. Ter zitting heeft de raad bovendien toegelicht dat de tennisbanen en de paardenbakken planologisch mogelijk worden gemaakt, maar dat deze gezien de open plekken op het landgoed in beginsel niet tot het kappen van bomen hoeven te leiden. Dit acht de Afdeling voldoende uitleg. Ook voor deze functies overweegt de Afdeling dat voor het plan geen passende beoordeling is vereist.

Conclusies

Voordat je toekomt aan een passende beoordeling, beoordeel je eerst of een passende beoordeling überhaupt nodig is. Om toepassing te geven aan artikel 2.8 lid 2 Wnb is vereist dat eerder een passende beoordeling is gemaakt. Deze kan natuurlijk al wat ouder zijn, zo ging het in dit geval om een passende beoordeling van bijna 12 jaar oud. Van belang is de planologische bandbreedte van het oude project/plan waarvoor een passende beoordeling is gemaakt goed te analyseren, zodat je vervolgens ook kan uitleggen waarom de “nieuwe ontwikkeling” daar nog steeds binnen valt. Deze zaak is daarvan een goed voorbeeld. De Afdeling beoordeelt immers zelf of een ‘landgoedbedrijfsgebouw’ vergelijkbaar is met een ‘beheerschuur met bijeenkomsten- en kantoorfunctie’. Ook beoordeelt de Afdeling tennisbanen en paardenbakken in het licht van hun beoogde locatie (open plekken op het landgoed) en betrekt of daarvoor bomen moeten worden gekapt. Er is in dit soort gevallen dus wel degelijk ruimte om met een goed verhaal binnen bestaande projectruimte nieuwe dan wel andere functies te ontwikkelen, zonder een passende beoordeling te hoeven uitvoeren.

U kunt de uitspraak hier raadplegen (ECLI:NL:RVS:2020:288).

Hebt u vragen over omgevingsrecht, stikstof, vergunningen of bestemmingsplannen? Neem dan contact op met onze collega’s Harald Wiersema, Victoria Rakovitch en Ko Hamelink.

Ko Hamelink

Sector

    Victoria Rakovitch

    Sector

      Expertise

      Harald Wiersema

      < Vorige

      Volgende >

      Spring naar toolbar