Opstal en bedrijf

Aansprakelijkheid bij gebrekkige opstal

Wanneer is een bedrijf aansprakelijk voor de gebrekkige opstal die hij gebruikt bij de uitoefening van dat bedrijf (art. 6:174 jo. art. 6:181 lid 1 BW)? De Hoge Raad deed hierover op 24 november uitspraak.

Wat is er gebeurd?

In een bedrijfsgebouw in Beverwijk breekt brand uit. Verschillende units in het gebouw zijn verhuurd. Een van de huurders is  Planet, een bedrijf in kindermeubels. De meubels van Planet die opgeslagen zijn, gaan verloren.

Een andere huurder was bv 1, dat een zustervennootschap is van bv 2, dat het bedrijfsgebouw gebruikte.

De brand brak uit als gevolg van spontane kortsluiting in een vrachtauto, die in het gebouw stond voor reparatie. Het gebouw werd door de bv’s  gebruikt als reparatiewerkplaats van vrachtauto’s, opleggers en aanhangers. Bij die werkzaamheden werden ook lasapparatuur en slijptollen gebruikt. De vrachtauto behoorde toe aan bv 2. De unit waar de vrachtauto stond was gehuurd door bv 1.

Voorts is relevant dat tussen de units aan de bovenkant onder het dak ventilatiegaten of sleuven aanwezig waren.

Planet stelt bv 1 aansprakelijk voor zijn schade.

Bij de Hoge Raad

In cassatie staat de vraag centraal of bv 1 aansprakelijk is als degene die de opstal bedrijfsmatig gebruikte (art. 6:174 BW jo. art. 6:181 lid 1 BW). De opstal voldoet volgens Planet niet aan de daaraan te stellen eisen vanwege het ontbreken van brandwerende voorzieningen.

De Hoge Raad overweegt dat de grondslag voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW is dat een opstal uit het oogpunt van veiligheid niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Tot die omstandigheden behoort het gebruik van de opstal, ook als dat in de bedrijfsuitoefening gebeurt. Hoe gevaarlijker de activiteiten zijn, hoe hoger de eisen die aan de opstal gesteld mogen worden.

Art. 6:181 lid 1 BW houdt een kanalisatie in van de aansprakelijkheid naar de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal en luidt: “Worden de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken, opstallen of dieren gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid uit die artikelen op degene die dit bedrijf uitoefent, tenzij het een opstal betreft en het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat.”

Over de tenzij-clausule zegt de Hoge Raad dat het ontstaan van de schade ook betekent: ‘de verwezenlijking van het gevaar dat verbonden is aan de gebrekkigheid van de opstal’. Onder de clausule geldt, zo legt de Hoge Raad uit, dat het niet alleen gaat om het ontstaan maar ook om het bestaan van de schade.

Onderzocht had moeten worden:

  • of de schade van Planet het gevolg is van de verwezenlijking van het gevaar dat is verbonden aan het gesteld ontbreken van voldoende brandwerende voorzieningen in de door bv 1 gehuurde unit,
  • of er voldoende verband bestaat tussen de verwezenlijking van het gevaar en de bedrijfsuitoefening.

Conclusie

De Hoge Raad geeft hiermee een verruiming ten opzichte van de letterlijke tekst van de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 BW. De tenzij-clausule, die inhoudt dat de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal de dans kan ontspringen, zal minder snel opgaan in de toekomst. Verband tussen de verwezenlijking van het gevaar en de bedrijfsuitoefening lijkt voldoende voor aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal.

Daarnaast zullen bij eenzelfde soort constructies van samenwerkende zuster- of moeder-dochter-vennootschappen, waarbij een vennootschap huurder is en een andere vennootschap gebruiker aansprakelijkheid van de  huurder op grond van art. 6:174 BW jo. art. 6: 181 lid 1 BW sneller kunnen worden aangenomen.

Wilt u meer weten? Neem contact op met advocaten van aansprakelijkheid, verzekering en vervoer.

Dit artikel is geschreven door Janet van de Bunt, medewerker bij het Wetenschappelijk Bureau van Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar