Ontucht met patiënten

Veroordeling ter zake van ontucht met meerdere patiënten.

Bespreking van een arrest Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 augustus 2017. Het betreft een veroordeling ter zake van ontucht met meerdere patiënten tot gevangenisstraf voor drie jaar, waarvan één voorwaardelijk, en ontzetting uit recht werkzaam te zijn gedurende vijf jaren in gezondheidszorg en maatschappelijke zorg.

Feiten

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeelt[1] een verpleegkundige op de PAAZ afdeling in het Atrium Medisch Centrum te Heerlen ter zake van drie gevallen van ontucht, met vrouwelijke patiënten die op de PAAZ-afdeling waren opgenomen. De verpleegkundige was werkzaam in de gezondheidszorg en de vrouwen hadden zich als patiënt aan zijn zorg toevertrouwd. Bij twee patiënten ging het om een eenmalige gebeurtenis in 2012, respectievelijk 2013, bij één patiënte ging het om meerdere keren in de periode van 2010-2012.

Beoordeling

Ten aanzien van een van de patiënten is door de verdediging vrijspraak bepleit, onder verwijzing naar een alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van sperma van de verdachte op de slip van en aangeefster. Het hof bestempelt dit scenario als ‘pure speculatie’ en oordeelt dat de alternatieve toedracht ‘volstrekt onaannemelijk’ is. Ten aanzien van een andere patiënte werd vrijspraak bepleit omdat sprake is van een unus testis, nullus testis-situatie, waardoor niet zou zijn voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 Sv. Ook dit verweer wordt verworpen. Het hof overweegt dat ‘de feitelijke gang van zaken ten aanzien van feit 2 op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met de feitelijke gang van zaken bij het voorval met [slachtoffer 1]. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de modus operandi in beide gevallen vrijwel identiek is.’ Het hof werkt dit verder uit met een aantal concrete aspecten. De verdediging heeft voorts de betrouwbaarheid van de aangeefsters en getuigen betwist. Het hof citeert met instemming de overwegingen van de rechtbank, die erop neerkomen dat de bewijsbeoordeling in zedenzaken dikwijls complex is en dat het feit dat de beschuldigingen zijn geuit door destijds psychisch zeer kwetsbare vrouwen niet betekent dat hun verklaringen per definitie onbetrouwbaar zijn of ongeloofwaardig dan wel vals. Wel zal het hof de verklaringen zeer zorgvuldig toetsen en waarderen. Het hof constateert dat deze verklaringen inderdaad inconsistenties bevatten en niet altijd te rijmen zijn met eerdere verklaringen van die personen of andere informatie in het dossier, maar acht deze ‘ongerijmdheden’ een gevolg van het tijdsverloop en de voorstelbare situatie dat de psychische problemen van de aangeefsters van invloed kunnen zijn op het nemen van rationele beslissingen dan wel het consequent en nauwkeurig onthouden en beschrijven van details. Deze inconsistenties raken echter naar het oordeel van het hof niet de kern van de beschuldigingen. Het hof bespreekt voorts een aantal gegevens in de verklaringen van de aangeefsters en getuigen die door andere informatie wordt bevestigd. Het hof houdt vervolgens de verklaringen voor betrouwbaar en bezigt deze tot het bewijs. Voor wat betreft de hoogte van de straf sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank, dat de slachtoffers, als patiënt op de PAAZ-afdeling opgenomen, aan de zorg van de verdachte waren toevertrouwd en zich in een afhankelijke positie ten opzichte van de verdachte bevonden. Zij waren psychisch zeer kwetsbaar en weinig weerbaar, hetgeen de verdachte moet hebben geweten. Zij verdienden juist bescherming omdat zij in een positie verkeerden waarbij zij hun wil niet geheel vrij konden bepalen of uiten. Het feit dat de verdachte zich na de klacht van het eerste slachtoffer weer vergreep aan een patiënt, doet het beeld ontstaan van iemand die enkel uit was op de bevrediging van eigen lustgevoelens zonder zich daarbij om het lot van de slachtoffers te bekommeren. Het komt voor alsof de verdachte zich onaantastbaar waande en dacht zijn gang te kunnen gaan. Het hof voegt daar nog aan toe dat sprake was van vergaande seksuele handelingen, waaronder het binnendringen van het lichaam, en dat bij een van de patiënten het misbruik zich over een langere periode en gedurende meerdere opnames heeft voorgedaan. Dergelijke ernstige zedenfeiten hebben een grote impact op de slachtoffers, die daar nog jaren last van ondervinden, waarbij het de vraag is of zij ooit nog geheel zorgeloos kunnen genieten van hun eigen lichaam en seksualiteit. De verdachte heeft voorts geenszins laten blijken het kwalijke van zijn handelen in te zien en heeft zich zelf neergezet als slachtoffer en de patiënten weggezet als manipulatieve vrouwen die het vanwege onzuivere motieven op hem zouden hebben gemunt. De verdachte heeft hen zelfs nog onder druk gezet door hen te zeggen dat hij, als zij over de seksuele contacten met anderen zouden praten, zijn baan zou verliezen en/of zij zouden moeten vertrekken. De verdachte is in 2009 veroordeeld ter zake van ontucht met een minderjarige tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf en liep ten tijde van een gedeelte van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd. De reclassering houdt het recidiverisico voor hoog/gemiddeld. Het hof veroordeelt de verpleegkundige tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde toezicht door de reclassering en een contactverbod. Voorts wordt de verdachte ontzet uit het recht tot uitoefening van het beroep van hulp- of zorgverlener in de gezondheidszorg en maatschappelijke zorg voor de duur van vijf jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden voor wat betreft de gevorderde materiële schade toegewezen; de immateriële schade wordt begroot op ten minste € 2500 (voor het slachtoffer dat gedurende meerdere jaren is misbruikt: € 3500) te vermeerderen met wettelijke rente; voor het meerdere van de immateriële schade worden de aangeefsters niet-ontvankelijk verklaard, nu het hof onvoldoende in staat is een afgewogen oordeel te geven over de gestelde schade en het inwinnen van de benodigde nadere informatie een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarnaast wordt de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sv opgelegd.

 

[1] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3504.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar