Hulp bij zelfdoding?

Aan hulp bij zelfdoding door iemand die geen arts is moeten strenge eisen worden opgesteld.

Deze uitspraak betreft de zaak Heringa en gaat om hulp bij zelfdoding door iemand die geen arts is. Van een beroep op noodtoestand kan volgens de Hoge Raad slechts bij hoge uitzondering sprake zijn gelet op (i) de bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die in de wet is opgenomen en die zich beperkt tot artsen en die (ii) nauw verbonden is met de deskundigheid, normen en ethiek van de medische professie en met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften.  Terughoudendheid is dus op zijn plaats.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 13 mei 2015 bewezen verklaard dat de heer Heringa in juni 2008 zijn moeder bij haar zelfdoding opzettelijk behulpzaam is geweest. Heringa is echter geen arts. Zijn moeder, 99 jaar oud, koesterde al langere tijd de wens om haar leven te beëindigen. Gesprekken met de huisarts van mevrouw Heringa leidden er – ondanks haar wens – niet toe dat deze zijn medewerking verleende aan euthanasie, echter wel tot een aanpassing van de medicatie. Zij had – gelet op haar leeftijd en gezondheid – een beperkte levensverwachting, maar haar wens tot levensbeëindiging werd in hoofdzaak ingegeven doordat zij vond dat haar leven was voltooid. Een en ander leidde tot een bewezenverklaring van het ‘opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en die ander de middelen tot zelfdoding verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt.
Heringa werd door het hof ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een gegrond beroep op noodtoestand. Het hof overwoog:
In zijn eerdere beslissing inzake hulp bij zelfdoding van 17 februari 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BV6139, voorheen LJN BV6139) heeft het hof het volgende overwogen.
Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. In een geval als het onderhavige waarin de wetgever een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen – in casu in de vorm van de mogelijkheid dat een arts onder strikte voorwaarden hulp biedt bij zelfdoding – is een beroep op noodtoestand niet zonder meer uitgesloten, maar een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard. De manoeuvreerruimte van de rechter is in zo’n geval uitermate klein. Iemand die geen arts is, kan…geen geslaagd beroep op noodtoestand doen behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden. ‘Vervolgens toetst het hof het handelen van Heringa aan de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 WTL jo. 293 Sr. Deze eisen houden in dat de arts:
a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt, b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt, c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten, d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was, e. tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.

Het hof concludeert aansluitend over de punten a., b. en f. dat: a. Heringa ‘op voldoende objectieve gronden de overtuiging heeft gekregen dat zijn moeder al langere tijd de wens koesterde haar leven te beëindigen, dat zij daar vrijwillig voor koos zonder druk van buitenaf en dat zijn moeder daarenboven ook weloverwogen tot deze doodswens was gekomen en hierin volhardde’. b. ‘bij mevrouw Heringa sprake was van zeer ernstig fysiek en psychisch lijden dat, gemeten naar de huidige maatstaven, met een grote mate van waarschijnlijkheid zou voldoen aan het vereiste onder b voor het straffeloos toepassen van euthanasie en/of hulp bij zelfdoding door een medicus’.
Omdat voor de verdachte als niet-medicus de subsidiariteitseis nog verder strekt (met andere woorden: heeft hij voldoende onderzocht of, na de weigering van de huisarts, een andere arts bereid had kunnen zijn tot het verlenen van hulp?) heeft het hof ook dat onderzocht. Het hof concludeert dat de kans dat in die tijd (2008) een andere arts onder de gegeven omstandigheden bereid zou zijn geweest om medewerking te verlenen aan de zelfdoding door mevrouw Heringa ‘als theoretisch’ moet worden beschouwd en concludeert dan ook dat Heringa samen met zijn moeder tot de ‘gerechtvaardigde overtuiging is kunnen komen dat er geen redelijke andere oplossing bestond voor de situatie waarin zij, mevrouw Heringa zich bevond. ‘f. Heringa ‘voor zover dat als niet-medicus in zijn vermogen lag, de hulp bij zijn moeders zelfdoding zorgvuldig heeft uitgevoerd’. Het hof concludeert voorts dat Heringa als niet-medicus voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, waarbij het feit dat hij (i) niet tot het laatste moment waarop haar dood intrad aanwezig is geweest om bij een eventuele complicatie te kunnen ingrijpen, en (ii) geen mededeling heeft gedaan van de niet-natuurlijke dood van zijn moeder daaraan niet afdoet. Het hof houdt het vanuit zijn positie voor begrijpelijk dat Heringa zichzelf niet onnodig zou blootstellen aan een strafvervolging, met het oog waarop hij overigens wel zijn optreden transparant had vastgelegd om zijn handelen ook voor de strafrechter toetsbaar te maken. Heringa bevond zich aldus het hof ‘als gevolg van het door hem gevoelde conflict van plichten (…) in een actuele concrete nood’. Dit blijkt naar het oordeel van het hof uit de duidelijke en persistente doodswens van zijn moeder, haar zeer ernstig fysiek en psychisch lijden, het feit dat er van artsen geen hulp te verwachten was en zij niet bij machte was om zelfstandig uitvoering te geven aan haar doodswens. De nood werd voorts – naar het oordeel van het hof – acuut toen Heringa ontdekte dat zijn moeder zelf pillen aan het verzamelen was, die ongeschikt waren voor het door haar beoogde doel. Hij heeft toen de plicht gevoeld om haar te helpen en heeft die plicht zwaarder laten wegen dan de plicht om de wet niet te overtreden. Het hof honoreert het beroep op noodtoestand, waarbij het hof deze zaak plaatst in het licht van de euthanasiepraktijk, zoals die in 2008 gold, en die naar het oordeel van het hof strikter lijkt te zijn geweest dan ten tijde van het arrest in 2015. Waar in de huidige tijd naar het oordeel van het hof minder sprake zal kunnen zijn van een noodtoestand als de hulpverlener in een geval als deze geen tweede arts concludeert, ligt dat in 2008 anders.

Het OM heeft tegen dit oordeel beroep tot cassatie ingesteld.

De Hoge Raad wijst allereerst op de tekst van de wettelijke bepalingen, zoals artikel 293 Sr, 294 Sr, artikel 2, 3, 7 en 8 Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) en de wetsgeschiedenis. Deze wetsgeschiedenis is interessant, maar is omwille van de leesbaarheid aan het slot van deze samenvatting gevoegd.[1]
De wetgever heeft naar het oordeel van de Hoge Raad een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven geroepen, waardoor een juiste balans wordt gewaarborgd tussen enerzijds het belang van ‘persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers. De genoemde niet-strafbaarheid en de daarmee samenhangende zorgvuldigheidseisen hebben uitsluitend betrekking op levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding door artsen en zijn onder andere gericht op een door de betrokken arts te verrichten toetsing van het vrijwillige en weloverwogen karakter van het verzoek tot levensbeëindiging alsmede op het consulteren van een andere, onafhankelijke arts. De beoordeling of de betrokken arts de zorgvuldigheidseisen in acht heeft genomen, geschiedt primair door een multidisciplinair samengestelde regionale commissie voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. In verband daarmee voorziet art. 7, tweede lid, Wet op de lijkbezorging in een op de betrokken arts rustende plicht tot melding aan de gemeentelijke lijkschouwer van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in art. 293, tweede lid, onderscheidenlijk art. 294, tweede lid tweede volzin, Sr, bij welke melding een verslag dient te worden gevoegd betreffende de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen’. De Hoge Raad overweegt voorts dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval met zich kunnen brengen dat de in artikel 293 en artikel 294 Sr strafbaar gestelde gedragingen toch gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook als diegene de hoedanigheid van arts mist. Dit kan als gehandeld is in noodtoestand, ‘dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.’ Daarvan kan echter slechts bij hoge uitzondering sprake zijn gelet op (i) de bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die in de wet is opgenomen, en die zich beperkt tot artsen en die (ii) nauw verbonden is met de deskundigheid, normen en ethiek van de medische professie en met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften. Terughoudendheid bij de acceptatie van een dergelijk beroep op noodtoestand acht de Hoge Raad tevens geboden ‘in het licht van het (…) maatschappelijk en politieke debat dat wordt gevoerd over levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.’
Nu het hof naar het oordeel van de Hoge Raad in essentie niet meer heeft gedaan dan het hanteren van het voor artsen geldende toetsingskader van artikel 2 WTL, terwijl Heringa de in de wet cruciale hoedanigheid van arts miste, is niet begrijpelijk dat het hof het slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden beroep op noodtoestand heeft gehonoreerd, nog daargelaten dat Heringa blijkens de vaststellingen van het hof zelfs niet heeft voldaan aan de vereisten van het door het hof gehanteerde kader. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft het gegeven ontslag van alle rechtsvervolging en verwijst de zaak naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418, GZR 2017-0128.

Noot

[1] De Hoge Raad Raad verwijst naar de volgende wetsgeschiedenis:
– de memorie van toelichting:
‘Dit wetsvoorstel strekt ertoe in het Wetboek van Strafrecht een bijzondere strafuitsluitingsgrond op te nemen voor de arts die levensbeëindiging op verzoek toepast of hulp bij zelfdoding verleent en daarbij voldoet aan bepaalde zorgvuldigheidseisen (…). Teneinde te verzekeren dat dit handelen in alle gevallen aan toetsing achteraf is onderworpen, kan de arts zich slechts op deze bijzondere strafuitsluitingsgrond beroepen indien hij zijn handelen, meldt bij de gemeentelijke lijkschouwer en daarbij een verslag voegt bevattende een gemotiveerde uiteenzetting betreffende de inachtneming van die zorgvuldigheidseisen. Voorts voorziet het wetsvoorstel in toetsing achteraf van gemelde levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding door multidisciplinair samengestelde commissies.
(…)
Zoals gezegd strekt het wetsvoorstel ertoe te regelen, dat de arts die op zorgvuldige wijze euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding verleent én dit vervolgens meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer, voortaan straffeloos zal zijn. De opneming in het Wetboek van Strafrecht van een bijzondere strafuitsluitingsgrond in artikel 293, tweede lid, en in artikel 294, tweede lid, tweede volzin, laat de strafbaarheid van andere verschijningsvormen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding onverlet. De algemene stelling dat euthanasie en hulp bij zelfdoding niet langer strafbaar zullen zijn, is als zodanig dan ook geen juiste weergave van hetgeen met dit wetsvoorstel wordt beoogd.
(…)
De essentie van gerechtvaardigde levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, vormt het uitdrukkelijk verzoek daartoe van de patiënt. Dit verzoek is bij voorkeur schriftelijk vastgelegd, al is dit op zichzelf niet vereist voor het gerechtvaardigd zijn van de inwilliging ervan, zolang de patiënt in staat is zijn wil te uiten.
Het verzoek moet verder vrijwillig, weloverwogen en duurzaam zijn. Op een verzoek dat het resultaat is van een opwelling, een plotselinge, hevige gemoedstoestand, moet niet worden ingegaan. De duurzaamheid van het verzoek blijkt uit de herhaling ervan, ook nadat de arts met de patiënt over diens verzoek en over diens gezondheidstoestand heeft gesproken.
Een verzoek is vrijwillig geuit, indien dit zonder druk of invloed van anderen op de patiënt is geuit. Vrijwilligheid houdt voorts in, dat de patiënt in staat moet zijn geweest zijn wil volledig vrij te bepalen. Uitgangspunt is dat de patiënt zelf om euthanasie moet verzoeken. Het is zijn eigen vrijwillige beslissing. Nadat de arts zich ervan vergewist heeft dat de stervenswens vrijwillig, uitdrukkelijk en duurzaam is, is, zo kan men stellen, de toepassing van de euthanasie een beslissing die de patiënt en de arts in samenspraak hebben genomen. (…)
Voor de weloverwogenheid van het verzoek is verder van belang dat de patiënt volledig inzicht had in zijn ziekte, de gestelde diagnoses, de prognoses en de behandelmogelijkheden. De arts ziet erop toe dat de patiënt over deze zaken volledig geïnformeerd is. Deze voorlichting aan de patiënt is als eis nadrukkelijk opgenomen in onderdeel c. De arts dient ook met de patiënt te bespreken, welke alternatieven nog ter beschikking staan om het lijden van de patiënt te verlichten. Hierop ziet de zorgvuldigheidseis, opgenomen in onderdeel d. Deze zorgvuldigheidseis bevat twee elementen die van wezenlijk belang zijn voor het besluitvormingsproces met betrekking tot het toepassen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Enerzijds drukt deze zorgvuldigheidseis uit dat dit besluitvormingsproces een zaak is van arts en patiënt samen. Juist waar het gaat om de afweging of aan de voorwaarden is voldaan waaronder euthanasie mogelijk is, in het bijzonder de vraag of er voor de patiënt geen andere uitweg meer is, achten wij de samenspraak tussen arts en patiënt van groot belang. De in deze eis tot uitdrukking komende samenspraak laat overigens de zelfstandige beslissing van de arts, en diens uitsluitende verantwoordelijkheid voor de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, onverlet.
(…)
Het vereiste van consultatie houdt in dat de arts in ieder geval één andere arts raadpleegt over het voornemen om levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen. (…) De consulent dient zich een oordeel te vormen over de zorgvuldigheidseisen, zoals opgenomen in de onderdelen a tot en met d. De consulent wordt geacht zich uit te spreken enerzijds over de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt, waarbij ook de vraag of er nog alternatieven zijn ter verlichting van het lijden, in ogenschouw moet worden genomen. Anderzijds dient de consulent een oordeel te geven over de uitdrukkelijkheid en weloverwogenheid van het verzoek om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding.
Het vereiste van medisch zorgvuldige uitvoering omvat in de eerste plaats de medisch-technisch correcte toediening van de juiste middelen. In de tweede plaats moet de levensbeëindiging door de arts zelf worden uitgevoerd. De daarvoor vereiste handelingen mogen niet aan verpleegkundigen of aan omstanders worden overgelaten. Bij het verlenen van hulp bij zelfdoding wordt de arts geacht zelf aanwezig, of in de nabije omgeving beschikbaar te blijven, totdat de dood is ingetreden.
(…)
Voor de straffeloosheid van de arts is niet alleen vereist dat hij aan de zorgvuldigheidseisen, omschreven in artikel 2, voldoet, maar tevens dat hij van het toepassen van euthanasie of hulp bij zelfdoding mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in het tweede lid van de Wet op de lijkbezorging. Het melden van euthanasie en hulp bij zelfdoding is derhalve bestanddeel van de bijzondere strafuitsluitingsgrond. Hierin komt tot uitdrukking de in het algemeen, ook binnen de medische beroepsgroep, onderschreven notie dat euthanasie en hulp bij zelfdoding beslissingen rond het levenseinde betreffen die niet tot normaal medisch handelen behoren, maar een handelen betreffen dat maatschappelijk genormeerd is en derhalve maatschappelijk controleerbaar moet zijn.’
(Kamerstukken II, 1998/99, 26691, 3, p. 1, 4-5, 8-10, 18)
– de nota naar aanleiding van het verslag:
‘Voor degenen die geen beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 293, tweede lid kunnen doen, omdat zij de noodzakelijke hoedanigheid van arts niet bezitten, resteert de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht. Wij kunnen evenmin op voorhand uitsluiten dat een arts wiens beroep op de toepasselijkheid van de bijzondere strafuitsluitingsgrond faalt, zich alsnog op overmacht in de zin van artikel 40 (bij voorbeeld door middel van een beroep op overmacht als schulduitsluitingsgrond) kan beroepen. Over de kans dat een dergelijk beroep gehonoreerd zal worden is los van een concrete casus in zijn algemeenheid geen uitspraak te doen. Anders dan de leden van de CDA-fractie zijn wij van oordeel dat artikel 40 Sr. zijn gebruikelijke functie als algemene strafuitsluitingsgrond kan behouden.’
(Kamerstukken II, 1999/2000, 26691, 6, p. 44)

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar