Het Versnipperde Groen

Een sprookje over verjaring, op feiten gebaseerd

Er was eens, nog niet zo gek lang geleden, een Koninkrijk, hier niet zo heel ver vandaan. In dat Koninkrijk lag een groot en donker bos. Sommigen zeiden dat het er spookte, maar dat werd al snel gezegd van grote en donkere bossen. Heel vroeger woonden in het bos alleen arme mensen, zoals de grootmoeder van Roodkapje en Klein Duimpje met zijn broertjes en zusjes. Later, toen het enge van het bos er wel een beetje af was, leefden er ook rijke mensen. Aan de rand van het bos, want een tikkeltje bang bleven ze toch, bouwden zij hun grote huizen en legden zij grote tuinen aan.

Omdat de welgestelde bewoners nog niet tevreden waren pikten ze op een zekere dag de bermen van de Koning in, die lagen langs de paden rondom het bos. Zo wilden zij hun grote tuinen nog groter maken. De zeven dwergen, die een klein huisje hadden aan de voet van een hoge berg, vonden dit eigenlijk maar oneerlijk. Als iemand een grotere tuin nodig had waren zij het wel. Zij waren tenslotte met z’n zevenen. Keurig en fatsoenlijk als zij waren, durfden zij echter niets te stelen.

Ruim twintig jaren verliepen, toen de boswachter aan de Koning liet weten dat de wegen bij het bos wel een opknapbeurt konden gebruiken en dat ook het riool en de waterleiding onder de bermen moesten worden vervangen. ‘Daar ga ik inderdaad wat aan doen’, vond de Koning, goed als hij was voor zijn volk. Toch waren de verouderde paden ook een zegen geweest. Als de kar met de doodskist van Sneeuwwitje niet in een kuil in de weg was blijven steken was het giftige stukje appel nooit uit haar keel geschoten en was ze nu echt dood geweest. Maar de Koning liep liever geen risico.

De Koning ontbood de poenige bosbewoners aan het Hof. Toen hij zijn plannen bekend maakte, klonk er luid protest. ´Majesteit, wij zijn niet tegen het onderhoud´, galmde het door de Troonzaal, ´maar de bermen kunt U niet gebruiken, want die zijn van ons!´. ‘Van ons?’, vroeg de Koning. ‘Ja’, antwoordden de rijkaards, ‘wij gebruiken de bermen al sinds mensenheugenis als heer en meester en dus zijn wij door verjaring eigenaar geworden. Zo staat het in de wet geschreven’. De Koning begreep er niets van. Daar had hij helemaal niets van gemerkt. Anders had hij allang ingegrepen, zoals hij ook had willen doen toen de heks haar peperkoekhuisje had uitgebouwd op zijn land. Gelukkig hadden Hans en Grietje dat stuk er weer afgesnoept.

Zo gingen een paar maanden voorbij. De Koning dacht lang na. Zonder de bermen kon het hele karwei niet doorgaan. Hij besloot de koninklijke weg te bewandelen en de bermen te verhuren voor slechts enkele geldstukken per jaar. Dat leek hem een mooie oplossing. Maar de gefortuneerde landjepikkers hielden voet bij stuk. De grond was van hun en van niemand anders.

De Koning was rusteloos en liep in de gangen van het paleis op en neer. Ondertussen ging de diefstal van snippergroen als een lopend vuurtje door het land. De Koning was bang dat anderen het voorbeeld van de rovers zouden volgen. Goede feeën probeerden te helpen en wensten dat het gebruik van de bermen ongedaan zou worden gemaakt en magiërs bladerden driftig door hun dikke boeken om een toverspreuk te vinden waarmee de grond weer in handen van de Koning zou komen, maar niets hielp.

De Koning was nu de wanhoop nabij. Hij riep al zijn adviseurs bij elkaar en vroeg om raad. ‘Wat we nodig hebben’, sprak de oudste, ‘is een advocaat, die alles, maar dan ook alles weet van verjaring´. ‘Maar waar vinden we zo iemand?’, zuchtte de Koning, en hij begroef zijn gezicht in zijn handen. ‘Vraagt u het eens aan de spiegel van de stiefmoeder van Sneeuwwitje’, zei een ander, ‘die weet vast wat te doen’. De Koning ging naar de spiegel en vroeg:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de beste verjaringsadvocaat van het hele land?’

De spiegel antwoordde:

‘O, Majesteit, er zijn vele advocaten,
Die over verjaring van grond procederen, schrijven en praten,
Maar Renaldo Willems is duizend- en duizendmaal beter,
Hij krijgt Uw grond terug, elke vierkante meter.’

De Koning was verheugd, want de spiegel sprak altijd de waarheid. De eerste minister wist te vertellen dat Renaldo Willems zijn praktijk uitoefende in het huis van Vrouw Holla, in het hart van een mooi dennenbos. Weldra vertrokken boden van het kasteel om de advocaat om hulp te vragen. De advocaat was vereerd met het verzoek van de Koning en hij ging snel aan de slag. Hij legde de deftige inwoners uit dat van verjaring geen sprake was, en gaf hun nog één keer de kans de grond te huren of terug te geven, maar zij bleven weigeren.

De advocaat bracht vervolgens maar liefst 23 bewoners van het statige bosgedeelte voor de rechter. ‘Edelachtbare’, pleitte de advocaat plechtig, ‘bent u het met mij eens dat deze dieven zich niet hebben gedragen als eigenaar van de grond van de Koning? Er is geen omheining, zoals de hoge muren rondom het kasteel, of een ondoordringbaar struikgewas, zoals de doornhaag waarin velen bleven steken toen zij Doornroosje wilden redden’. ‘Dat ben ik in de meeste gevallen met u eens’, zei de rechter. ‘Doordat de grond niet was afgeschermd en toegankelijk was voor iedereen’, legde de magistraat uit, ‘hoefde de Koning niet te vrezen dat zijn eigendom gevaar liep en dus is hij al die tijd eigenaar gebleven’.[1] Slechts in vijf gevallen trok de Koning aan het kortste eind, maar dat mocht de pret niet drukken. Hij was de koning te rijk en van vreugde sprong hij een gat in de lucht. Tot ver buiten het kasteel waren de klokken van de paleistorens te horen die urenlang luidden van blijdschap.

Die nacht kon de Koning de slaap niet vatten. Hoe groot de overwinning ook was geweest, hij was toch een paar stukjes land kwijtgeraakt. Daardoor kon het onderhoud nog steeds niet doorgaan. De volgende dag vroeg hij zijn advocaat weer om hulp. Die raadde aan de vijf verloren zaken aan de hoogste rechter in het Koninkrijk voor te leggen. De opperrechter vond dat zijn lagere ambtgenoot het verkeerd had gezien en maakte uit dat de Koning ook in deze gevallen nog steeds eigenaar was van zijn grond.[2] En dat was nog niet alles. Hij oordeelde ook dat het grondgebied van een Koning in het algemeen beter beschermd is tegen verjaring dan grond van zijn onderdanen.

Nadat de opperrechter het oordeel had geveld spoedde de Koning zich naar de spiegel en riep uit: ‘Je had gelijk, Renaldo Willems is inderdaad de beste verjaringsadvocaat van het hele land! Ik heb al mijn grond weer terug!’

De blijde boodschap bereikte al snel de andere Koninkrijken en overal luidden wekenlang de klokken van vreugde en werd uitbundig feest gevierd. Ook zij konden nu beter optreden tegen landjepik. En om de Koning daarvoor te bedanken en te eren kregen alle rechterlijke uitspraken voortaan de stempel ´in naam van de Koning´.

Een tijdje later vond de renovatie van het gebied rondom het bos dan eindelijk plaats en kwam alles toch nog goed. De Koning regeerde nog lang en had meer aanzien dan ooit tevoren. En de advocaat? Die was alweer bezig met de volgende verjaringszaak, die hij uiteraard zou winnen. Vraag maar aan de spiegel.

[1] Rechtbank Oost-Brabant 22 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6306; Rechtbank Oost-Brabant 22 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6309.

[2] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4676; Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 18 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4677; Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 18 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4678; Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 18 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4679; Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 22 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5202.

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar