De behandelplicht, medisch zinloze behandelingen en risicovolle behandelingen in relatie tot COVID-19

Behandelen, tenzij…
De omstandigheid dat behandelen van de patiënt uitgangspunt is, betekent niet dat zich geen uitzonderingen kunnen voordoen. Een hulpverlener mag om uiteenlopende (gegronde) redenen weigeren een behandelingsovereenkomst te sluiten (zie onder meer KNMG-richtlijn, Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, KNMG, 2021). Het gevolg hiervan is dat hij niet aan behandeling toekomt.

Een hulpverlener hoeft ook niet over te gaan tot medisch zinloze behandelingen. Van medisch zinloos handelen kan bijvoorbeeld sprake zijn als het handelen niet bijdraagt aan een verbetering van de medische toestand van de patiënt. Ditzelfde geldt voor een behandeling die, hoewel zij tegemoet komt aan de (veronderstelde) wens van de patiënt, dusdanige risico’s met zich brengt dat de behandeling met het oog op verwezenlijking van die risico’s behoort te worden vermeden dan wel er geen bewijs is voor de goede werking van de behandeling. Toch overgaan tot behandeling in gevallen als deze zou dan juist in strijd zijn met het goed hulpverlenerschap.

De coronapandemie heeft hierover nieuwe jurisprudentie opgeleverd, die wij hieronder belichten. De patiënten in kwestie waren gediagnosticeerd met COVID-19.

Een medisch zinloze behandeling is niet af te dwingen
Een uitspraak van de Rechtbank Den Haag illustreert dat sprake kan zijn van een medisch zinloze behandeling (Rechtbank Den Haag 16 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2579). De patiënt, gediagnosticeerd met COVID-19, was er dermate slecht aan toe dat zelfs een longtransplantatie volgens de medisch specialisten niet levensreddend kon zijn. Dit was ook de mening van in consult geroepen specialisten van andere ziekenhuizen. Kort erna is aan de familie meegedeeld dat verdere behandeling medisch zinloos was. De echtgenote kon zich daarin niet vinden en verzocht de medisch specialisten om de kunstmatige beademing voort te zetten en mee te werken aan de overdracht aan een Frans ziekenhuis. De medisch specialisten weigerden, waarop de echtgenote (en haar dochter) een kort geding startte(n). De rechter toetste in dit kort geding het beleid van de artsen en het ziekenhuis marginaal en oordeelde dat voorzetten van de kunstmatige beademing medisch zinloos was en in strijd met de voor artsen geldende professionele standaard. De beslissing van de artsen moest als juist en zorgvuldig worden bestempeld. De vorderingen van de echtgenote en dochter werden daarom afgewezen.

Een kwestieuze behandeling met risico’s voor de gezondheid is niet af te dwingen
De uitspraak die toont dat de behandeling met het oog op verwezenlijking van die risico’s behoort te worden vermeden of omdat er geen bewijs is voor de goede werking van de behandeling moet worden nagelaten, is van de Rechtbank Midden-Nederland (Rechtbank Midden-Nederland 20 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2302). Op 14 maart 2021 is de patiënt gezien zijn slechte toestand in slaap gebracht en zijn situatie is sindsdien verslechterd. De familie vroeg het ziekenhuis meermalen om te starten met behandeling van de patiënt met behulp van de middelen Ivermectine, Hydroxychloroquine en Vitamine C. Zij hadden zelf een huisarts of internist op het oog die de behandeling in het ziekenhuis zou willen uitvoeren, zo de eigen internisten van het ziekenhuis dit niet zouden willen. Omdat het ziekenhuis de gewenste behandeling weigerde, werd het in rechte betrokken. De voorzieningenrechter zag evenwel geen reden om aan het inhoudelijke medisch oordeel van de behandelend artsen te twijfelen. Hoewel er diverse publicaties en praktijkvoorbeelden uit het buitenland zijn waaruit de effectiviteit van de behandeling zou blijken – aldus de familie – , zijn de in Nederland en Europa levende opvattingen en richtlijnen met betrekking tot de behandeling van COVID-19 andersluidend en verzetten zij zich tegen de door de familie gewenste behandeling. Door zich bij de behandeling van de patiënt op de in Nederland en Europa geldende richtlijnen te baseren, hebben het ziekenhuis en de behandelend artsen in dit geval als goed hulpverlener gehandeld en goede zorg verleend, aldus de voorzieningenrechter voorts. Daarbij spelen ook de standpunten van de IGJ – die inmiddels heeft aangekondigd dat zij artsen gaat beboeten die Hydroxychloroquine of Ivermectine voorschrijven – een belangrijke rol. Ook volgens de IGJ levert het buiten de richtlijnen om toepassen van deze geneesmiddelen tegen COVID-19 een risico op voor de kwaliteit van zorg.

Een en ander leidde tot de conclusie dat de familie de gewenste behandeling door het ziekenhuis niet kon afdwingen en ook niet kon afdwingen dat er door het ziekenhuis andere artsen worden toegelaten om de gewenste behandeling binnen de muren van het ziekenhuis uit te voeren.

Kort en goed, volgt uit deze uitspraken – hoe schrijnend die voor de familie ook zijn – dat het oordeel van de hulpverleners gebaseerd op wetenschappelijke inzichten leidend is en dat wensen van familieleden, hoe begrijpelijk ook, dit niet anders kunnen maken.

Slot
De eerste jurisprudentie over behandelen en COVID-19 is een feit. Mogelijk volgen meer COVID-19-gerelateerde vraagstukken, die aan de rechter moeten worden voorgelegd. Heeft u vragen? Neem gerust contact op.