Nieuws

Bindend advies (2): Rechtbank Zeeland-West-Brabant nog niet uit over ambtshalve toetsing

Gepubliceerd op 3 apr 2026

Onze mensen

Bindend adviesrecht (2): Ambtshalve toetsing bij het bindend advies?

In onze vorige blog beschreven wij de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2025 over het bindend adviesrecht. In deze uitspraak oordeelde de rechtbank dat de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders (het ‘college’) om te beslissen op de aanvraag van een BOPA ontbreekt als hij de gemeenteraad (de ‘raad’) niet om een bindend advies heeft gevraagd. De bestuursrechter moet steeds ambtshalve beoordelen of voor een BOPA een bindend advies nodig is. Op 29 januari 2026 waagt de voorzieningenrechter van dezelfde rechtbank zich niet aan deze ambtshalve beoordeling. Volgens de voorzieningenrechter is het bindend advies “iets wezenlijks anders” dan de verklaring van geen bedenkingen (‘vvgb’). Wat in deze uitspraak precies aan de hand is en wat de gevolgen van deze uitspraak voor de praktijk zijn, lees je in deze blog. 

1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9135.

2.Omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit

3.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:533

Het verschil tussen de vvgb en het bindend adviesrecht

Volgens de voorzieningenrechter was bij de vvgb sprake van een voorafgaande instemming, waardoor het college pas de bevoegdheid heeft een omgevingsvergunning te verlenen als de raad een vvgb heeft gegeven. De vvgb is dus direct gekoppeld aan de bevoegdheid van het college en daarmee een kwestie van openbare orde. Daarom moest dit punt ambtshalve getoetst worden: zonder vvgb, geen bevoegdheid voor het college om te beslissen op de aanvraag. 

Bij het bindend advies bepaalt de raad in beleid in welke gevallen hij om advies gevraagd moet worden. Of vervolgens aan de vereisten in dat beleid voldaan is, is volgens de voorzieningenrechter – anders dan bij de vvgb – vatbaar voor interpretatie. Hierin ziet de voorzieningenrechter een wezenlijk verschil tussen het bindend adviesrecht en de vvgb. 

Overwegingen

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter lijken twee overwegingen door elkaar te lopen. Ten eerste gaat de voorzieningenrechter in op het verschil in de lijsten van categorieën en gevallen van de vvgb en het bindend advies. Hierin zit het verschil dat het beleid bij het bindend advies voor interpretatie vatbaar is. Dit is opmerkelijk: is de lijst van categorieën bij de vvgb dan niet voor interpretatie vatbaar? En is dit verschil enkel ontstaan doordat de raad onder de Wabo moest besluiten waarover hij geen vvgb wenst af te geven, terwijl onder de Omgevingswet (‘Ow’) de raad juist moet besluiten over de activiteiten waarover hij wél een bindend adviesrecht wenst af te geven? De voorzieningenrechter geeft hier geen uitsluitsel over.

Naast het verschil in de lijsten, lezen wij dat de voorzieningenrechter zich ook uitlaat over het verschil van de figuur van instemming en de figuur van het (bindend) advies. Zo ontstond de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen pas nadat de vvgb was aangevraagd en verleend. De voorzieningenrechter gaat niet expliciet in op de toetsing bij het bindend advies. 

Hier lijkt een verschuiving zichtbaar: van niet bevoegd, tenzij een vvgb afgegeven of niet nodig is, naar wél bevoegd, mits het geen geval betreft dat is aangewezen voor een bindend advies. Waarom dit dan wel of geen kwestie van openbare orde is, laat de voorzieningenrechter zich niet direct over uit. 

Instemming en advies

Het bindend advies (artikel 16.15b Ow) is in de Ow opgenomen onder advies en niet bij instemming onder artikel 16.16 Ow. Ook uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever geen (advies met) instemming beoogd heeft. 

Naar ons oordeel verschilt een adviesrecht dan ook van een voorafgaande instemming bij de vvgb. Een bindend advies moet het college bij zijn besluitvorming in acht nemen. De voorzieningenrechter zegt in deze uitspraak te weinig om duidelijkheid te geven over de gevolgen van het niet vragen om, of niet voldoen aan, een bindend advies. De uitspraak strookt dan ook niet volledig met de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2025, waar wel een duidelijk gevolg én een ambtshalve toetsing uit blijkt. Het is een gemiste kans dat de voorzieningenrechter niet heeft overwogen hoe deze uitspraak zich met de eerdere uitspraak van de rechtbank verhoudt, terwijl hier onzes inziens wel voldoende aanleiding toe was. 

Nu er nog steeds onduidelijkheid bestaat over de gevolgen van het bindend adviesrecht, blijft het afwachten tot de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zich uitspreekt over deze rechtsvragen rond het bindend adviesrecht. 

Heeft u, naar aanleiding van deze blog, nog meer vragen over het bindend adviesrecht? Neem dan contact op met onze omgevingsrecht specialisten. 

Deze blog is geschreven in samenwerking met Bas van Driel.

4. Kamerstukken I 2019-2020, 34986, S, p 22; Handelingen I 2019-2020, nr. 18, item 6, p. 11. 

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief

Meld je aan voor onze nieuwsbrief

Geen juridische updates missen? Maak dan een selectie uit de diverse expertises van Holla legal & tax.

Aanmelden nieuwsbrief