Proefprocedure: stichting beheer derdengelden partij bij overeenkomst tussen huisarts en declaratieservice?

Rechtbank Amsterdam, 11 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2736 ‐ Op SmartNewz sinds: 19 mei 2016

Samenvatting:

LHV Declaratie Direct B.V. (“LDD”) is in 2004 opgericht met als doel het bieden van een declaratieservice voor huisartsen. In 2004 is, mede door LDD, de Stichting
Beheer Derdengelden LHV Declaratie Direct (“SBD”) opgericht. De werkzaamheden die met SBD verband hielden, werden verricht door LDD. Gedaagde (“Huisarts”) heeft
als huisarts met LDD een (standaard)overeenkomst “Financiële dienstverlening LHV Declaratie Direct” gesloten (“Overeenkomst”). In de Overeenkomst is opgenomen
dat LDD de medische verrichtingen van de Huisarts factureert en dat de Huisarts LDD machtigt de volledige betaling van de medische verrichtingen te incasseren. De
betaling van de vergoeding van deze verrichtingen vindt plaats aan SBD. LDD is op 15 september 2009 failliet gegaan en SBD op 6 oktober 2009 met benoeming van de
curator in beide faillissementen. Het door LDD gebruikte administratiesysteem heeft ervoor gezorgd dat de overzichten van de vorderingen en schulden van LDD/SBD
jegens de circa 1.500 huisartsen niet bruikbaar zijn voor de vaststelling van de vorderingen. De curator heeft Cerios opdracht gegeven om onderzoek te verrichten
naar deze vorderingen en schulden. Op basis van dit onderzoek heeft de curator geconcludeerd dat aan de Huisarts een bedrag van € 28.382,09 te veel is betaald en
vordert betaling daarvan.

De rechtbank:

Het onderhavige geding heeft voor partijen het karakter van een proefprocedure, waarin centraal staat of:

(i.) de Overeenkomst de grondslag kan zijn voor een vordering van de curator van SBD op de Huisarts; en
(ii.) of de methode van Cerios geschikt is om de hoogte van een eventuele vordering van de curator van SBD op de Huisarts te bepalen.

ad (i.): een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding (art. 6:217 BW). Of er sprake is van aanbod en aanvaarding is een kwestie van uitleg, die
wordt ingekleurd door de geopenbaarde wil in een verklaring of gedraging van de ene partij, die door de andere partij redelijkerwijs opgevat mocht worden in de zin
die hij daaraan redelijkerwijs mocht toekennen (art. 3:33 jo. 3:35 BW). De Overeenkomst moet volgens de rechtbank worden aangemerkt als een
driepartijenovereenkomst ondanks dat er geen schriftelijk stuk bestaat waarin een overeenkomst tussen SBD en de Huisarts is vastgelegd. Bij de totstandkoming kan
SBD vertegenwoordigd zijn geweest door LDD, maar in elk geval is de Overeenkomst tot stand gekomen door de wijze waarop partijen de Overeenkomst in de praktijk
zijn gaan uitvoeren. Zowel door LDD als SBD als de Huisarts is aanvaard dat SBD partij was bij deze Overeenkomst. Deze Overeenkomst houdt onder meer in dat SBD
en de Huisarts elkaar over en weer konden aanspreken tot betaling of terugbetaling. Het “partij‐zijn” van SBD houdt ook in dat SBD de verweren en vorderingen tegen
zich moet laten gelden die de Huisarts (ook) jegens LDD kan voeren en instellen.

ad (ii.): de rechtbank stelt voorop dat het aan de curator is, als de partij die zich beroept op het rechtsgevolg daarvan, te bewijzen dat, en zo ja voor welk bedrag hij
een vordering heeft op de Huisarts. Dat de curator vanwege de gebrekkige administratie van LDD in bewijsnood verkeert, en dat hij met unanieme instemming van de
crediteurencommissie van SBD en met goedkeuring van de rechter‐commissaris het Cerios‐rapport heeft laten uitbrengen, maakt gezien de gemotiveerde betwisting
door de Huisarts op dit punt nog niet dat de curator nu reeds in dat bewijs is geslaagd. De rechtbank laat de curator toe tot het bewijs van de omvang van de
vordering op de Huisarts.

Klik hier voor de gehele publicatie van 19 mei in Wolters Kluwer SmartNewz.

Pim van de Goor ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar