Wijzigingen in de Wet op de ondernemingsraden (WOR) per 19 juli en 7 augustus 2013

De Wet op de ondernemingsraden (WOR) is met ingang van 19 juli en 7 augustus 2013 op enkele onderdelen gewijzigd. Al in 2011 adviseerde de Sociaal-Economische Raad (SER) over onder meer de toekomst van scholing en vorming van leden van de ondernemingsraad (OR). Het kabinet heeft het advies van de SER grotendeels overgenomen in de recente wetswijziging van de WOR. De belangrijkste wijzigingen van de WOR die met ingang van 19 juli 2013 in werking zijn getreden, zijn de volgende:

– Verval verplichte bemiddeling door bedrijfscommissies, art. 36 WOR.
In Nederland bestaan sinds 2010 drie bedrijfscommissies: Bedrijfscommissie Markt I (voor ondernemingen in commerciële sectoren), Bedrijfscommissie Markt II (voor ondernemingen in zorg en welzijn en sociaal-culturele sectoren) en Bedrijfscommissie voor de overheid. Voorafgaand aan de wetswijziging diende een conflict tussen een OR en een ondernemer eerst ter bemiddeling aan de bedrijfscommissie te worden voorgelegd, voordat een beroep kon worden gedaan op de rechter. Aangezien het regelmatig voorkwam dat partijen geen bemiddeling wensten en de gang naar de bedrijfscommissie zagen als een verplichte tussenstap voordat men bij de kantonrechter een verzoekschrift kon indienen (waardoor de procedure van geschillenbeslechting onnodig werd verlengd), is het verplichte karakter van de bemiddeling van een bedrijfscommissie nu geschrapt. Door het vervallen van artikel 36 leden 3 en 4 WOR kunnen een OR en de ondernemer hun verzoeken tot naleving van de WOR nu rechtstreeks bij de kantonrechter indienen. De afschaffing van het verplichte karakter van de bemiddeling neemt echter niet weg dat bemiddeling mogelijk blijft en dat bedrijfscommissies bij geschillenbeslechting een rol kunnen blijven vervullen. De praktijk zal uitwijzen of van de vrijwillige bemiddeling door bedrijfscommissies daadwerkelijk gebruik zal worden gemaakt.

– Afschaffing verplichting tot verstrekking OR reglement aan bedrijfscommissies, art. 8 WOR.
Niet langer is verplicht dat de OR het door hem vastgestelde reglement aan de bedrijfscommissie dient te verstrekken. Dit betreft een wijziging van artikel 8 lid 1 WOR.

– Verval van handtekeningenvereiste, art. 9 WOR.
Het handtekeningenvereiste van artikel 9 lid 2 sub b WOR (een werknemer moest 30 handtekeningen verzamelen om zichzelf verkiesbaar te stellen) is komen te vervallen.

– Scholing en vorming van OR-leden, artt. 18, 22 en 46a WOR.
De wijziging van het scholingssysteem betreft onder meer de afschaffing van de zogenoemde WOR-heffing van artikel 46a WOR oud. Deze heffing moest worden afgedragen door ondernemingen die verplicht zijn om een OR in te stellen, ter bevordering van de scholing en vorming van de leden van de OR. Tevens is nu opgenomen een expliciet wettelijk verankerd scholingsrecht voor OR-leden en een expliciete plicht voor werkgevers om hun OR-leden de scholing te laten genieten die zij voor de vervulling van hun taak nodig achten. Hiertoe is in artikel 18 lid 2 WOR expliciet een verband gelegd tussen scholing en vorming en de kwaliteit daarvan, door op te nemen dat het moet gaan om scholing en vorming ‘van voldoende kwaliteit’. In artikel 22 WOR was al bepaald dat alle kosten die de OR en zijn commissies moeten maken om hun taken te kunnen vervullen, voor rekening van de ondernemer komen. Ook kosten voor scholing en vorming van de leden van de OR en van zijn commissies vallen onder deze regeling. In artikel 22 lid 3 WOR is nu expliciet bepaald dat de kosten van scholing en vorming ten laste van de ondernemer komen. Bovendien kan de SER voor verschillende kosten verbonden aan scholing en vorming richtbedragen vaststellen. Middels dit nieuwe systeem van richtbedragen denkt de regering een bredere basis voor het goed functioneren van het scholingssysteem voor ondernemersraden te creëren. In het nieuwe artikel 46a WOR is nu expliciet bepaald dat de SER tot taak heeft de medezeggenschap in ondernemingen te bevorderen.

Aangezien de wetswijziging van de WOR geen overgangsrecht kent, zijn bovengenoemde wijzigingen per 19 juli 2013 met onmiddellijke ingang in werking getreden. Dit betekent dat reglementsbepalingen sindsdien in strijd kunnen zijn met de WOR. De bepalingen van de WOR gaan voor. De publicatie van de wetswijzigingen in het Staatsblad op 18 juli 2013 kunt u vinden op: link Staatsblad

Instemmingsrecht OR bij pensioenregelingen per 7 augustus 2013

Bij de invoering van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen is met ingang van
7 augustus 2013 een nieuw lid 7 aan artikel 27 WOR toegevoegd. Doel van deze bepaling is om enkele medezeggenschapslancunes van de OR bij pensioenregelingen weg te nemen.

Conform het nieuwe lid 7 van artikel 27 WOR heeft de OR nu ook instemmingsrecht bij:- de vaststelling of intrekking van een pensioenovereenkomst die wordt ondergebracht bij een pensioenfonds (lid 7 sub a);- een voorgenomen besluit tot vaststelling of intrekking van een pensioenovereenkomst die wordt ondergebracht bij niet-verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen (sub b);- voorgenomen besluiten van de ondernemer tot vaststelling of intrekking van een pensioenovereenkomst bij een verplicht gesteld bedrijfspensioenfonds, maar uitsluitend voor zover de pensioenovereenkomst niet verplicht is gesteld (sub c).

Let overigens op het verschil tussen het instemmingsrecht van het nieuwe lid 7 en het instemmingsrecht van lid 1 van artikel 27 WOR: bij het instemmingsrecht ten aanzien van de pensioenovereenkomsten gaat het uitsluitend om besluiten tot vaststelling of intrekking, en niet tot wijziging, zoals geldt voor de regelingen opgesomd in lid 1.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, neem dan contact op met mr. drs. Myrthe Leijenaar, sectie Arbeidsrecht en Ondernemingenrecht, T: 073-6161100, E: m.leijenaar@holla.nl.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar