Verticale prijsbinding

Franchiseovereenkomst: beding tot verticale prijsbinding nietig wegens overtreding kartelverbod

Een franchisegever heeft een franchisesysteem uitgerold op grond waarvan de franchisenemers opleidingen en trainingen aanbieden. De franchisenemers hebben zich ertoe verbonden om de door de franchisegever gehanteerde prijslijst, opgenomen in het huishoudelijk reglement, te respecteren. De prijslijst bevat tarieven en staffelkortingen en deze tarieven zijn bindend. Afwijkingen van de prijslijst zijn niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de franchisegever.

De franchisenemers stellen, dat deze bepaling in strijd is met het kartelverbod neergelegd in artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) op grond waarvan zij de franchiseovereenkomst voor nietig houden. Het Gerechtshof te ‘s‑Hertogenbosch heeft hierover uitspraak gedaan op 5 juni 2018. Het gedeelte van de uitspraak, dat betrekking heeft op het mededingingsrecht, wordt in dit artikel behandeld.

De uitspraak
Het Gerechtshof stelt vast, dat slechts zeer incidenteel kon worden afgeweken van de voorgeschreven prijzen en dat de contractuele verplichting om vaste prijzen te hanteren in de franchiseorganisatie de strekking heeft om de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Zulks valt onder het kartelverbod neergelegd in artikel 6 Mw, dat een verbod bevat op koopovereenkomsten tussen ondernemingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt beperkt, verhinderd of vervalst. Deze overeenkomsten zijn van rechtswege nietig op grond van het tweede lid van artikel 6 Mw. Het Gerechtshof stelt voorop, nu de voorgeschreven prijspolitiek aan te merken is als een strekkingsbeperking, er geen onderzoek behoeft te worden gedaan of de mededingingsbeperking merkbaar is op de relevante markt. Een verticale prijsbinding is naar haar aard een beperking die niet anders kan worden getypeerd en is, ongeacht het effect daarvan op de relevante markt, per se een mededingingsbeperking. Het Gerechtshof  tekent daarbij aan, dat niet de gehele franchiseovereenkomst van rechtswege nietig is. De nietigheid treft de bepalingen waarin de verticale prijsbinding is opgenomen, met name het  huishoudelijk reglement. Er bestaat namelijk geen onverbrekelijk verband tussen de nietige bepalingen in het huishoudelijk reglement en de bepalingen in de franchiseovereenkomst zelf.

Conclusie en advies
Distributeurs en ook franchisenemers mogen niet verplicht worden vaste prijzen of minimumprijzen te hanteren. Deze prijsbinding is nietig op grond van het kartelverbod. De franchisenemers die een beroep doen op de nietigheid hoeven niet te stellen en te bewijzen dat de mededinging op de Nederlandse markt of een relevant deel daarvan merkbaar verhinderd of beperkt wordt door de gehanteerde prijsbinding. Er is sprake van een strekkingsbeding. De franchisenemers verkeren hierdoor in een meer gunstige positie dan het geval is indien zij stellen dat een non-concurrentiebeding, dat hen belemmert na het einde van de overeenkomst om in dezelfde branche te werken, in strijd is met het kartelverbod. Dan zullen franchisenemers immers niet alleen moeten bewijzen dat het non-concurrentiebeding disproportioneel is en verder gaat dan de Europese Groepsvrijstellingsverordening toestaat, maar ook dat het non-concurrentiebeding de mededinging op de Nederlandse markt of een  relevant deel daarvan merkbaar verhindert of beperkt. Franchisenemer moet dan informatie aanleveren omtrent de relevante geografische markt, de relevante productmarkt, de marktpositie van de formule en de marktaandelen. Bij een strekkingsbeding, zoals verticale prijsbinding, rust deze bewijslast derhalve niet op de franchisenemer.


Holla Advocaten is gespecialiseerd in franchisezaken. Wij hebben veel ervaring met het maken van goede afspraken in franchise-overeenkomsten. Wilt u meer weten? Neem dan contact op met
Ferry Weelen. 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar