Verjaringstermijn

Is afwijzing per aangetekende brief vereist bij al lopende verjaringstermijnen van verzekeringsuitkeringen op 1 januari 2006?

Van 1 januari 2006 tot 1 juli 2010 gold er een nieuw vereiste voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van verzekeringsuitkeringen, nl. afwijzing per aangetekende brief. Is onmiddellijke werking van dit vereiste naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? De Hoge Raad doet uitspraak over deze overgangsrechtelijke kwestie.

De feiten

In een woning breekt brand uit op 1 maart 2004. De eigenaar van de woning is verzekerd tegen dit risico. Hij vraagt de verzekeraar om uitkering van zijn schade. De verzekeraar weigert echter dekking te verlenen vanwege het vermoeden van betrokkenheid van de verzekerde bij de brand. In brieven van 13 mei 2004 en van 1 december 2004 zet de verzekeraar zijn standpunt over afwijzing uiteen. Dan volgt nog een periode van correspondentie over een schaderapport in 2005. Uiteindelijk vraagt de eigenaar op 2 juli 2009 de verzekeraar opnieuw tot uitkering van de schade over te gaan. In de polisvoorwaarden is een verjaringstermijn van drie jaar opgenomen.

De eigenaar vordert vergoeding in rechte. Is de verzekeringsaanspraak inmiddels verjaard? De discussie spitst zich toe op de vraag of door onmiddellijke werking van het artikel (art. 68a Overgangswet NBW) op 1 januari 2006 het vereiste van de aangetekende brief is gaan gelden of dat onmiddellijke werking van dit vereiste naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 75 Overgangswet NBW). Kortom, de vraag is: had de verzekeraar destijds ook nog een aangetekende brief moeten versturen?

Hoge Raad

De Hoge Raad legt art. 75 Overgangswet NBW uit. Het artikel strekt ertoe een beperkte mogelijkheid tot afwijking van de overgangswet toe te laten, in dit geval dus uit te zonderen van de onmiddellijke werking van het vereiste van de aangetekende brief voor verjaring van de verzekeringsuitkering (art. 7:942 (oud)BW) . Het artikel kan eveneens een uitzondering maken voor een reeks van gevallen waarin soortgelijke problemen van overgangsrecht spelen.

Wanneer het vereiste van de aangetekende brief zou gelden, zou dit zorgen voor een omvangrijke administratieve last voor de verzekeraar in kwestie: deze zou 2,5 miljoen aangetekende brieven moeten versturen in alle zaken waarin de verjaringstermijn al was gaan lopen. Daarnaast zou dit een aanzienlijke financiële last meebrengen van enkele miljoenen euro’s. De wetgever heeft de verzekeraar niet op hoge kosten willen jagen. Ook in de literatuur is niet gesignaleerd dat het vereiste in al lopende zaken zou moeten gaan gelden. Ten slotte weegt de rechtsbescherming van de verzekerde niet op tegen de omvangrijke administratieve en financiële lasten voor de verzekeraar.

Uitkomst

Het overgangsrecht dat onmiddellijke werking voorschrijft, is in een geval als dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het vereiste van de aangetekende brief geldt daarom niet in zaken waarin de verjaringstermijn al was gaan lopen voor 1 januari 2006. De verjaringstermijn van drie jaar die voortvloeit uit de polisvoorwaarden is in deze zaak verstreken – tussen 2005 en juli 2009 heeft de verzekerde stilgezeten. De verzekerde kan geen aanspraak meer maken op een verzekeringsuitkering.

De uitspraak is van belang voor soortgelijke zaken, zoals de Hoge Raad ook heeft benadrukt. Het vereiste van de aangetekende brief heeft géén onmiddellijke werking in zaken waarin de verjaringstermijn al is gaan lopen voor 1 januari 2006.

Heeft u vragen over de gevolgen van deze uitspraak voor de verjaring van een verzekeringsaanspraak? Neem dan contact op met één van onze gespecialiseerde aansprakelijkheid, verzekering & vervoeradvocaten: Martine Bouman of Barend Stroetinga.

Dit artikel is geschreven door
Janet van de Bunt, medewerker van het Wetenschappelijk Bureau van Holla advocaten.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar